Wat er tussen ons kan ontstaan

Over thuis, relationeel vermogen, collectieve creatie en waarom liefde misschien wel mijn belangrijkste ontwerpprincipe is.

Vector 2
IMG 4012

Afgelopen vrijdag stond ik met een groep mensen een plan te presenteren waar we twee weken lang met alles wat we hadden aan hadden gewerkt. Een visie voor de toekomst van het clubhuis van HC Klein Zwitserland.

Architectuur. Interieur. Concept. Branding. Community. Exploitatie.

Allemaal verschillende disciplines, verschillende mensen, verschillende bedrijven en verschillende manieren van denken. De meesten van ons kenden elkaar vóór de Provada van afgelopen juni nauwelijks of helemaal niet. We hebben geen gezamenlijk kantoor. We wonen en werken op verschillende plekken.

En twee weken geleden hadden we nog geen gezamenlijk plan.

Wat we wél hadden, was elkaar.

Want die twee weken waren eigenlijk alleen de laatste meters van een reis die maanden eerder was begonnen.

Nog voordat ik wist of de uitvraag van KZ überhaupt zou komen, voelde ik dat ik deze mensen bij elkaar wilde brengen. Waarom precies, kon ik toen niet uitleggen. KZ was een mogelijke aanleiding, maar ergens voelde ik: als het niet hiervoor is, dan is het voor iets anders.

Dus ontmoetten we elkaar.

Op de Provada. Bij Klein Zwitserland. Op het strand. Bij Sander op kantoor. Online. Met bier en bitterballen, eten, gesprekken en vragen waarop niemand het antwoord hoefde te weten.

We maakten nog niets.

Of tenminste: dat dacht ik.

Want toen de uitvraag uiteindelijk kwam en we in twee weken tijd iets moesten neerzetten, bleek dat er in die maanden daarvoor al ontzettend veel was gemaakt.

Vertrouwen. Veiligheid. Nieuwsgierigheid. Plezier. Een manier van samenwerken. De vrijheid om kritisch te zijn. Om iets nog niet te weten. Om in elkaars tuintje te harken. Om een idee van een ander verder te brengen of je eigen idee weer los te laten.

En daardoor stond daar afgelopen vrijdag iets wat geen van ons afzonderlijk had kunnen maken.

Terwijl ik daar stond, realiseerde ik me dat dit project voor mij over veel meer gaat dan een clubhuis.

Sterker nog: ik ben hier al jaren naartoe aan het bewegen.

Ik kon het alleen nog niet zien.

Sommige lijnen zie je pas wanneer je ze al een tijdje loopt

Op papier begon mijn ondernemerschap in augustus 2025.

In werkelijkheid denk ik inmiddels dat het veel eerder begon.

Misschien wel toen ik besloot Schiphol na ruim 21 jaar te verlaten.

Ik zat daar ooit in een managementteam waar ik nog steeds met heel veel liefde aan terugdenk. Iedereen had zijn eigen verantwoordelijkheid en expertise, maar onze directeur verwachtte ook dat we werkelijk aanwezig waren bij de vraagstukken van de ander.

Wij noemden dat ‘in elkaars tuintje harken’.

Niet: dit is vastgoedmanagement, dus daar blijf jij vanaf. Of: dit is vastgoedontwikkeling, niet jouw portefeuille.

Je mocht iets zien in de tuin van de ander. Je mocht er een vraag over stellen, iets ter discussie stellen, een ander perspectief inbrengen. Soms botsten we. We lachten veel. We zorgden voor elkaar. Collega’s werden vrienden.

Dat team viel uiteindelijk langzaam uit elkaar. Mensen gingen één voor één weg.

En ergens doet het me denken aan het Nederlands elftal van 1974.

Ik moest daaraan denken door een post van Steven van den Heuvel op LinkedIn. Hij schreef over hoe het Nederlands elftal in 1974 de WK-finale verloor, maar toch iets achterliet wat veel groter bleek dan die uitslag. Een manier van voetballen, een verhaal, een collectieve herinnering die decennia later nog steeds onderdeel is van hoe we naar het Nederlands voetbal kijken. Zijn bredere punt: organisaties hebben óók zo’n ‘1974’. Een periode, gebeurtenis of groep mensen die onderdeel wordt van het verhaal dat een organisatie over zichzelf vertelt en daarmee blijft doorwerken in hoe mensen naar het heden kijken.

Toen ik dat las, wist ik onmiddellijk wat mijn 1974 was.

Dat managementteam.

Niet omdat alles perfect was, maar omdat ik er iets had ervaren waarvan ik daarna wist: dus zó kan het ook.

Onze groepsapp bestaat nog steeds. Het beeld ervan is een tegel met:

‘Succes met betere collega’s vinden dan wij.’

En misschien hadden ze wel een punt, want toen het team langzaam uit elkaar viel en ik uiteindelijk zelf vertrok, dacht ik dat ik op zoek ging naar een andere baan. Met de kennis van nu denk ik dat ik op zoek ging naar een nieuw thuis.

Ik ging naar CBRE IM. Daar kwam ik oud-collega en inmiddels dierbare vriendin Lot weer tegen. Toen mijn baan bij CBRE IM veel eerder eindigde dan ik had verwacht en ik op LinkedIn schreef dat ik weer op zoek was naar werk, kwam Sander op mijn pad.

Daarna kwamen er meer mensen.

Losse ontmoetingen. Koffie. Lunches. Borrels. Ideeën. Mensen die bleven. Mensen die weer verdwenen. Dingen die pijn deden. Dingen waarvan ik dacht dat ze mislukt waren. Gesprekken waarvan ik op dat moment onmogelijk kon weten waarom ze belangrijk zouden worden.

Geen van die ontmoetingen had een bordje om zijn nek met:

LET OP. DIT IS ONDERDEEL VAN JOUW TOEKOMSTIGE ONDERNEMING.

Was soms best handig geweest trouwens.

Maar zo werkt het blijkbaar niet.

Sommige lijnen in ons leven worden pas zichtbaar, nadat we ze al een tijdje hebben gelopen.

We zijn niet begonnen met tekenen

Toen de uitvraag van Klein Zwitserland uiteindelijk kwam, hadden we natuurlijk gewoon kunnen doen wat er gevraagd werd: een visie ontwikkelen en een schetsontwerp maken.

Maar we zijn niet begonnen met tekenen.

We zijn begonnen met kijken.

Naar de geschiedenis van de club. De mensen. Het chalet. De verschillende generaties. De tradities en rituelen. Naar topsport en breedtesport, oude leden en nieuwe leden, kinderen, ouders en mensen uit de omgeving. Naar wat er al was, wat mensen wilden behouden, wat mocht veranderen en waar ruimte kon ontstaan voor iets nieuws.

Niet meteen: hoe moet het nieuwe clubhuis eruitzien?

Eerst: wat maakt KZ eigenlijk KZ?

En daarachter kwam een vraag die inmiddels veel groter voor mij is geworden:

Wie kiest KZ om te zijn? En welke ruimte is daarvoor nodig?

Tijdens het proces begon ik te zien dat ik diezelfde vragen voortdurend stel.

Aan mensen.

Aan teams.

Aan organisaties.

Aan plekken.

Wie ben je nu? Wat heeft je gevormd? Wat daarvan wil je meenemen? Wat past niet langer? Wie kies je om te zijn? En welke volgende beweging hoort daarbij?

Een concept is voor mij steeds meer: identiteit waaraan vorm wordt gegeven.

En dat concept geeft vervolgens richting.

Het wordt een North Star.

Niet een eindplaatje waarin ieder detail al is ingevuld, maar een helder genoeg beeld van wie je kiest om te zijn om onderweg te kunnen bepalen: hoort dit bij ons? Brengt deze keuze ons dichter bij waar we naartoe willen? Wat willen we behouden? Waar mag iets nieuws ontstaan?

Identiteit, concept en North Star zijn daarmee voor mij niet drie verschillende managementtermen.

Ze horen bij dezelfde beweging.

Wie zijn we?

Wie kiezen we om te zijn?

En hoe geven we daar steeds concreter vorm aan?

Maar van wie is dat toekomstbeeld eigenlijk?

Daar zit iets wat ik in ons vak soms ingewikkeld vind.

Een opdrachtgever heeft een vraag. Een adviseur of ontwerpteam komt binnen. We doen onderzoek, gebruiken onze expertise, maken een plan en presenteren vervolgens ons antwoord.

Tadaaa.

Alstublieft.

Maar als wij werkelijk geloven dat identiteit het vertrekpunt is, kunnen wij die identiteit nooit vóór een ander invullen.

Niet voor een mens.

Niet voor een organisatie.

En ook niet voor KZ.

Dat is ook waarom we onze visie bewust niet helemaal hebben dichtgetimmerd.

We willen een sterke richting neerzetten. Een concept dat stevig genoeg is om als North Star te functioneren en concreet genoeg om te laten zien wat er mogelijk kan worden. Maar tegelijkertijd willen we ruimte openhouden.

Want áls we de opdracht krijgen, willen we het toekomstbeeld samen met KZ verder laten ontstaan.

Als gelijkwaardige partners, ieder met een eigen verantwoordelijkheid en expertise en allebei met skin in the game.

Wij moeten iets durven brengen.

Zij moeten iets durven brengen.

Wij moeten ons laten beïnvloeden door wat zij weten, voelen en ervaren.

En andersom mag onze blik iets veranderen in hoe zij naar hun eigen vraagstuk kijken.

Dan ontstaat het toekomstbeeld ergens tussen ons.

Tijdens onze presentatie afgelopen vrijdag wilde ik de aanwezige mensen van KZ daar alvast iets van laten ervaren.

Ik vroeg de mensen in de ruimte hun ogen dicht te doen en even alleen naar mijn stem te luisteren.

Geen plattegrond.

Geen visual.

Even helemaal geen ontwerp.

Ik nam ze mee naar september 2029.

Het is september 2029.

Je komt aan bij Klein Zwitserland.

Je loopt het terrein op.

Wat zie je?

Wie kom je tegen? Waar hoor je mensen lachen?

Er komt een team van het veld. Iemand zit met een laptop en een kop koffie. Een kind wacht op zijn training. Een oud-lid loopt binnen en herkent iets.

Misschien ruik je eten. Misschien hoor je muziek.

En misschien gebeurt er iets waarvan wij vandaag nog helemaal niet bedacht hebben dat het hier zou kunnen gebeuren.

En stel jezelf dan één vraag:

waardoor denk jij… ja. Dit is KZ.

Daar zit de essentie.

Niet: kijk eens wat wíj voor jullie hebben bedacht.

Maar: kunnen jullie jezelf in deze toekomst herkennen? Kunnen jullie haar voelen? En kunnen we haar van daaruit samen verder maken?

Want uiteindelijk moeten zij haar dragen wanneer wij er niet meer zijn.

Een aangeleerd kunstje houdt zelden stand.

Als een organisatie alleen weet wat zij moet doen zolang wij ernaast staan, hebben we misschien een prachtige oplossing geleverd, maar weinig veranderd.

Wat we samen maken moet uiteindelijk zo geïntegreerd raken in hun eigen identiteit dat het van hen wordt. Dat zij het zonder ons kunnen dragen, bevragen en verder ontwikkelen.

Dán wordt een North Star werkelijk bruikbaar.

Perfect in all our imperfection

En om zo samen te kunnen werken, moeten we volgens mij ook iets anders loslaten.

Het idee dat we eerst helemaal af moeten zijn.

We zijn nogal goed geworden in het presenteren van de afgewerkte versie van onszelf.

Op LinkedIn zeker.

Het resultaat. De functie. De expertise. De pitch. Het mooie ontwerp. Het antwoord waarvan de twijfel inmiddels zorgvuldig is weggepoetst.

Maar echte ontmoeting begint volgens mij ergens anders.

Tijdens onze eerste bijeenkomst op de Provada vroeg ik niet wie iedereen was, welke projecten ze hadden gedaan of waarom hun expertise relevant was.

Ik vroeg: waarom heb je ja gezegd?

Iemand begon.

Diegene vertelde iets persoonlijks. Kwetsbaar. Dat hij emotioneel kan reageren en bij mij rust had gevoeld.

Daarmee vertelde die persoon niet alleen iets over zichzelf.

Het veranderde de ruimte.

IMG 2843

Want zodra één iemand iets laat zien wat niet volledig gepolijst is en de groep dat blijkt te kunnen dragen, wordt er voor anderen iets mogelijk.

Blijkbaar hoef ik hier niet alleen mijn professionele versie mee te nemen.

Blijkbaar mag de mens ook mee.

You only need to bring yourself to the table.

Just as you are.

Niet pas wanneer je alles hebt uitgezocht. Niet wanneer je je onzekerheden hebt opgelost, je gebruiksaanwijzing hebt herschreven en eindelijk die volmaakte versie van jezelf bent geworden.

Die bestaat helemaal niet.

We zijn allemaal onaf.

We weten dingen niet. We hebben blinde vlekken. We maken fouten. We zijn soms briljant en soms onmogelijk. We kunnen liefdevol zijn en bang. Moedig en onzeker. Sterk en ontzettend kwetsbaar.

Perfect in all our imperfection.

Relationele veiligheid is voor mij uiteindelijk de ervaring dat ook dát aan tafel mag zitten.

Niet dat alles wat we doen daarmee automatisch oké is. We blijven verantwoordelijk voor ons gedrag en voor wat we bij elkaar neerleggen.

Maar ik hoef niet perfect te zijn om mee te mogen doen.

En jij ook niet.

Wat weten we eigenlijk?

Dat vraagt wel dat we voorzichtig zijn met wat we denken te weten over elkaar.

Iemand reageert kort en we denken dat hij boos is. Een collega trekt zich terug en we concluderen dat ze niet betrokken is. Iemand valt stil tijdens een moeilijk gesprek en we denken dat het hem niets doet, terwijl het misschien juist zoveel met hem doet dat hij de woorden niet kan vinden.

Een medewerker loopt vast en we zoeken het probleem bij de medewerker. Mensen komen niet naar kantoor en we besluiten dat ze onvoldoende verbonden zijn met de organisatie.

We steken onze hand in een grabbelton, voelen iets en voor we het weten hebben we een compleet verhaal bedacht over wat we vasthouden.

Ik herken dat ook bij mezelf.

Daarom zijn drie vragen voor mij steeds belangrijker geworden:

Wat weet ik?

Wat heb ik zelf ingevuld?

En wat kan ik gewoon vragen?

Dat is niet alleen een manier geworden om naar relaties te kijken. Het is ook hoe ik steeds vaker naar vraagstukken kijk.

Ik probeer daarom steeds minder snel naar een oplossing te springen en langer waar te nemen wat er werkelijk gebeurt. Bij KZ betekende dat: niet meteen tekenen, eerst kijken. Bij mensen betekent het dat ik niet alleen kijk naar degene die vastloopt, maar onderzoek wat er gebeurt tussen die mens, andere mensen en de omgeving waarin zij zich bewegen.

Want wat schuurt zit lang niet altijd alleen in jou.

En ook niet alleen in de ander.

Vaak gebeurt het ergens ertussen.

De ruimte tussen ons

We staan voortdurend in relatie.

Tot onszelf. Tot andere mensen. Tot ons werk. Tot een team. Tot een organisatie. Tot systemen. Tot de plekken die we maken en bewonen.

En die relaties staan nooit stil.

Mensen veranderen. Omstandigheden veranderen. Wij veranderen. Wat gisteren werkte kan vandaag knellen. Iemand beweegt naar ons toe en later weer van ons vandaan.

Een dragende relatie vraagt daarom niet dat iedereen op zijn plek blijft.

Ze vraagt voldoende ruimte om te kunnen bewegen zonder dat we bij iedere beweging onszelf, de ander of de verbinding onmiddellijk kwijtraken.

Dat betekent voor mij inmiddels ook dat ik mijn eigen werkelijkheid niet verwar met dé werkelijkheid. Dat ik verschil kan verdragen. Dat ik helder kan zijn over wat ik nodig heb zonder te verwachten dat jij automatisch aan mijn behoefte moet voldoen.

Dat ik kritisch kan zijn én kwetsbaar.

Dat ik een grens kan stellen én een grens van jou kan ontvangen.

Dat ik kan zeggen: ik begrijp je niet, maar ik blijf nog even nieuwsgierig.

En soms ook: jij ziet mij zo, ik herken mezelf daar niet in en ik ga je niet overtuigen.

Misschien is een van de moeilijkste bewegingen wel deze:

Voldoende bij mezelf blijven om mezelf niet in de verbinding te verliezen en tegelijkertijd voldoende open blijven om door jou beïnvloed te kunnen worden.

Want als jij mij nooit mag veranderen, hoe dichtbij laat ik je dan werkelijk komen?

Een echt gesprek houdt daarom altijd een klein risico in.

Ik kan het gesprek anders verlaten dan ik erin kwam.

Verschillende mensen maken nog geen collectief

Dat is ook waarom ik niet geloof dat je automatisch iets bijzonders krijgt wanneer je verschillende disciplines, achtergronden of breinen bij elkaar zet.

Je kunt tien totaal verschillende mensen aan één tafel zetten en tien parallelle monologen krijgen.

Verschil wordt pas waardevol wanneer we het werkelijk durven inbrengen én wanneer de anderen voldoende open zijn om er iets mee te doen.

Ons collectief is daar een prachtig experiment in geworden.

De een kijkt ruimtelijk. Een ander conceptueel. Commercieel. Visueel. Relationeel. Technisch. Analytisch. Associatief.

Soms zitten daar werelden tussen.

Als iedereen zijn eigen taartpunt bakt en we die aan het einde netjes tegen elkaar aan schuiven, hebben we misschien een multidisciplinair project. En technisch gezien zelfs één taart.

Alleen wel eentje met tien verschillende smaken die toevallig in een cirkel liggen.

Aardbei naast truffel. Citroen naast mokka. Pistache tegen haring aan.

Oké, die laatste hoop ik nooit mee te maken. 

Maar je begrijpt wat ik bedoel.

De smaken zijn aanwezig, alleen zijn ze nog geen geheel geworden.

Collectieve creatie bestaat voor mij pas wanneer er iets van umami ontstaat.

Wanneer jouw smaak iets doet met de mijne.

Wanneer jouw blik mijn blik verandert.

Wanneer jouw vraag mijn idee beter maakt.

Wanneer ik iets zie in jouw professionele tuintje en jij voldoende vertrouwen hebt om niet onmiddellijk te roepen dat ik van je hortensia af moet blijven.

Wanneer expertise niet verdwijnt, maar poreus genoeg wordt om iets van een ander binnen te laten.

Dan voegen we niet alleen taartpunten toe. Dan begint de taart zelf te groeien. Niet alleen in formaat, doordat er nieuwe lagen bijkomen, maar ook in smaak. In kwaliteit. In rijkdom.

De afzonderlijke ingrediënten blijven herkenbaar, maar samen ontstaat iets wat in geen van die ingrediënten afzonderlijk zat.

Het geheel wordt meer dan de som der delen.

Dát is voor mij de magie van collectieve creatie.

De groeiende taart

Die taart is de afgelopen dagen steeds meer een beeld geworden voor hoe ik naar samenwerken en creëren kijk.

Eigenlijk zie ik een enorme bruidstaart voor me.

Laag voor laag.

Het collectief groeit, doordat we samenwerken. Wijzelf groeien, doordat we elkaar ontmoeten. Het idee groeit, doordat verschillende perspectieven elkaar beïnvloeden. En ook het ontwerp groeit laag voor laag: van schetsontwerp naar voorlopig ontwerp, definitief ontwerp en uiteindelijk een vorm die werkelijk gebouwd kan worden.

Maar integraal werken betekent voor mij niet dat je alles tegelijkertijd moet oplossen.

Integendeel.

Als je bij de eerste schets al ieder detail wilt kennen, verstik je waarschijnlijk precies datgene wat nog moet kunnen ontstaan.

Integraal werken betekent dat je het geheel blijft zien, terwijl je stap voor stap beweegt.

Je hoeft vandaag niet alles over morgen te weten. Je moet wel voldoende vooruit kunnen kijken om vandaag geen deur dicht te zetten die je morgen nodig hebt.

Daar komt die North Star weer terug.

Wie kiezen we om te zijn?

Als die richting helder is, hoeft onderweg niet alles vast te staan.

Dan kan er ruimte blijven voor een idee dat niemand had voorzien. Voor iemand die iets ziet wat formeel helemaal niet binnen zijn expertise valt. Voor een gesprek dat niet op de agenda stond. Voor een omweg die uiteindelijk precies blijkt te zijn wat nodig was.

De kunst is niet om het onverwachte te organiseren.

De kunst is om het niet weg te organiseren.

En bovenop mijn denkbeeldige bruidstaart staat inmiddels ook een bruidspaar.

Niet als man en vrouw, maar als het huwelijk tussen dingen die we veel te vaak tegenover elkaar zetten: ratio en intuïtie, analyse en gevoel, structuur en ruimte, richting en serendipiteit, identiteit en beweging, grenzen en ontvankelijkheid, zelfstandigheid en beïnvloedbaarheid, individu en collectief, kritisch en kwetsbaar.

We hoeven blijkbaar niet altijd te kiezen. Soms groeit de taart juist, doordat beide waar mogen zijn.

En vooruit: als het mijn taart is, mogen er wat mij betreft ook alle kleuren van de regenboog, pareltjes en een paar unicorns op.

We zijn nu toch bezig.

Bier, bitterballen en een dagje kantoor

Ons collectief heeft geen gezamenlijke fysieke thuisbasis.

We werken vanuit verschillende plekken en hebben elkaar veel vaker online dan live gesproken.

Toch is er verbinding ontstaan.

De momenten waarop we wél fysiek bij elkaar waren, hebben we niet alleen gebruikt om te werken.

Bij de Provada waren er bier en bitterballen. Voor de zomer gingen we samen naar Klein Zwitserland. Niet alleen kijken, maar ervaren. Daarna naar het strand om te eten en te drinken. Na de zomer kwamen we bij Sander op kantoor bij elkaar.

Steeds ontstond er ruimte voor andere gesprekken. Weg van het werk. Naar de mens achter het werk en de rol.

Dat herken ik trouwens van veel langer geleden.

Bij Schiphol organiseerde ik Free Lunch Fridays voor de Schiphol SPOT Community. Samen eten, werken, praten, iets leren, een borrel. Ook toen zag ik wat er gebeurt wanneer je niet alleen een werkplek organiseert, maar omstandigheden creëert waarin mensen elkaar daadwerkelijk kunnen tegenkomen.

Samen eten en drinken doet blijkbaar iets met ons.

Misschien omdat we aan tafel even ophouden functionarissen te zijn.

Daarom vind ik de hele discussie die na corona is ontstaan over hoeveel dagen mensen weer verplicht naar kantoor moeten komen, inmiddels eigenlijk minder interessant dan de vraag die eronder ligt:

Wat moet er kunnen ontstaan wanneer mensen bij elkaar zijn?

Je kunt vijf dagen per week naast elkaar zitten en relationeel kilometers van elkaar verwijderd zijn.

En je kunt honderden kilometers uit elkaar wonen en ervaren dat iemand naast je staat.

Mijn vriendin Iris woont heel dichtbij. Claartje veel verder weg. En met allebei kan ik een diepe verbondenheid ervaren alsof ze naast me zitten.

Nabijheid en verbondenheid zijn blijkbaar niet hetzelfde.

Een fysieke plek creëert geen verbinding.

Mensen doen dat.

Een plek kan die verbinding wel ondersteunen, versterken en waarschijnlijker maken.

Een lange tafel maakt geen community.

Wat mensen aan die tafel met elkaar doen, kan dat wel.

Wat we niet moeten wegorganiseren

Daar ligt voor mij ook een belangrijke vraag voor organisaties.

We ontwerpen processen, functies, verantwoordelijkheden, KPI's, vergaderstructuren, governance en protocollen, omdat we complexiteit hanteerbaar willen maken.

Dat hebben we nodig.

Maar we kunnen een systeem zo efficiënt maken en dichtregelen dat er nauwelijks nog ruimte overblijft voor precies datgene waarnaar we vervolgens in heisessies gaan zoeken:

creativiteit, eigenaarschap, samenwerking, innovatie, vertrouwen en verbinding.

Hetzelfde geldt voor ongemak.

We zeggen dat we psychologische veiligheid willen en verwarren dat soms met een omgeving waarin niemand zich ongemakkelijk hoeft te voelen.

Maar een groep waarin niemand ooit spanning ervaart, kan óók een groep zijn waarin niemand zegt wat hij werkelijk ziet.

Veiligheid is voor mij steeds minder: hier gebeurt niets wat mij raakt.

En steeds meer: hier kan iets gebeuren wat mij raakt zonder dat ik daardoor onmiddellijk mijn plek verlies.

Ik mag iets nog niet weten, een afwijkende gedachte hebben, zeggen dat iets niet werkt, geraakt zijn, een fout maken en imperfect zijn. En jij ook.

Misschien hebben we niet alleen ruimte nodig voor perfectie.

Misschien hebben we vooral ruimte nodig voor alles wat nog niet af is.

Want daar kan nog iets groeien.

Hoofd, hart en alles daartussen

Ik heb lang gedacht dat mijn kracht vooral in mijn hoofd zat.

Analyseren. Structureren. Verbanden leggen. Vooruitdenken. Complexiteit terugbrengen.

Dat kan ik nog steeds en ik ben er ook gewoon goed in.

Maar ik ben de afgelopen jaren iets anders serieuzer gaan nemen.

Soms registreert mijn lichaam iets, voordat mijn hoofd er woorden voor heeft.

Een ruimte voelt anders. Iemand zegt iets waarvan de woorden kloppen en toch schuurt er iets. Een ontmoeting heeft betekenis, voordat ik kan uitleggen waarom. Een idee resoneert, terwijl de businesscase nog ontbreekt.

Dat gevoel is geen waarheid.

Maar het is wel informatie.

En vervolgens kan mijn hoofd weer meedoen.

Wat neem ik waar? Waar komt dat vandaan? Wat weet ik werkelijk? Wat vul ik in? Wat moet ik nog onderzoeken?

Ik hoef dus niet te kiezen tussen ratio en intuïtie.

Mijn hoofd hoeft mijn hart niet het zwijgen op te leggen en mijn hart hoeft mijn hoofd niet te ontslaan.

Ze kunnen samenwerken.

Net als mensen.

Liefde is mijn woord

En ergens tijdens al dat schrijven, onderzoeken, werken en leven begon ik steeds opnieuw bij hetzelfde woord uit te komen.

Liefde.

En dan bedoel ik liefde veel breder dan romantische liefde.

Liefde als aandacht.

Als werkelijk willen zien wat er is, voordat ik bepaal wat het zou moeten zijn.

Als nieuwsgierigheid naar een werkelijkheid die niet de mijne is.

Als iemand niet modelleren naar mijn ideaalbeeld.

Als duidelijk durven zijn over wat ik nodig heb, zonder te verwachten dat jij mijn gedachten kunt lezen.

Als waarheid durven spreken én mijn woorden zorgvuldig genoeg kiezen om verantwoordelijkheid te nemen voor wat ik bij jou neerleg.

Als jezelf niet verlaten om de verbinding te behouden.

Als iemand voldoende dichtbij laten komen om door hem geraakt en beïnvloed te kunnen worden.

Als verschil en ongemak kunnen verdragen.

Als terugkomen wanneer we elkaar onderweg kwijtraken.

Als ruimte maken voor groei.

En als kunnen zeggen:

Ik hoef jou niet volledig te begrijpen om jou serieus te nemen.

Misschien is liefde ook iets wat we niet alleen voelen of hebben.

We maken haar.

In the space between us we make love.

Ik ben die zin steeds letterlijker gaan nemen.

Wanneer twee mensen elkaar werkelijk ontmoeten, kan er iets ontstaan wat vóór die ontmoeting niet bestond.

Een gedachte. Vertrouwen. Moed. Een vriendschap. Een idee. Een team. Een ontwerp. Een collectief. Een gemeenschap.

Iets wat geen van ons afzonderlijk had kunnen maken.

The Beloved Collective

Daarom klopt de naam The Beloved Collective voor mij inmiddels zo.

Niet omdat wij een groep mensen zijn die het altijd met elkaar eens is.

Alsjeblieft niet.

Juist omdat ik wil onderzoeken wat mogelijk wordt, wanneer mensen hun verschillen werkelijk durven inbrengen en voldoende vertrouwen ontwikkelen om zich door elkaar te laten beïnvloeden zonder zichzelf kwijt te raken.

Je hoeft daarvoor niet af te zijn.

Je hoeft niet alles te weten.

Je hoeft zelfs niet precies te weten wat je komt brengen.

just Bring yourself to the table.

Dat is genoeg om te beginnen.

Klein Zwitserland is het eerste concrete vraagstuk waarop zichtbaar wordt wat dit collectief samen kan.

Maar ik geloof niet dat het daar ophoudt.

Dat voelde ik eigenlijk al voordat de uitvraag er überhaupt lag.

Ik wist niet of KZ zou komen. Ik wist niet of wij ervoor zouden worden uitgenodigd. En toch voelde ik: deze mensen moeten bij elkaar.

Als niet hiervoor, dan voor iets anders.

Dat gevoel is alleen maar sterker geworden.

Want als ik kijk naar wat we hier samen hebben gedaan - beginnen bij identiteit, verschillende werkelijkheden onderzoeken, functies niet los zien van mensen, prijs niet los van gebruik, gebouw niet los van exploitatie, plek niet los van omgeving, vandaag niet los van morgen - dan zie ik een manier van kijken die veel verder reikt dan één clubhuis.

En mijn gedachten gaan daarbij steeds vaker naar een van de grote maatschappelijke vraagstukken van dit moment: wonen.

We spreken over een woningtekort alsof het vooral een tekort in aantallen is.

Maar achter die aantallen zitten ook vragen over wat we eigenlijk maken. Voor wie. Waar. Tegen welke prijs. Met welke voorzieningen. Voor welke levensfase. In welke gemeenschap. En vooral: welk vraagstuk proberen we eigenlijk op te lossen?

Gaat wonen alleen over voldoende daken boven voldoende hoofden? Of kunnen we plekken maken die tegelijkertijd iets betekenen voor andere vraagstukken waar we als samenleving mee worstelen? Voor de groeiende druk op de zorg. Voor eenzaamheid. Voor mensen die langer zelfstandig willen blijven wonen. Voor de manier waarop we werk en leven combineren. Voor de ruimte die mensen hebben om elkaar te ontmoeten, voor elkaar te zorgen en ergens bij te horen.

Dan wordt de vraag niet alleen hoeveel woningen we nodig hebben, maar ook wat die woningen, de plekken eromheen en de gemeenschappen die er kunnen ontstaan mogelijk kunnen maken.

En of wat we bouwen werkelijk aansluit bij hoe mensen willen en kunnen leven.

Daar wil ik met dit collectief naartoe.

Niet omdat ik het antwoord al ken.

Juist niet.

Maar omdat ik geloof dat de manier waarop we zijn begonnen - eerst kijken, verschillende werkelijkheden naast elkaar durven leggen, het geheel blijven zien en samen met de mensen om wie het gaat een toekomstbeeld laten ontstaan - daar iets te brengen heeft.

Als ik erop terugkijk, begon The Beloved Collective veel eerder dan het moment waarop ik het die naam gaf.

Bij mijn 1974 op Schiphol.

Bij Lot. Bij Sander. Bij de anderen die inmiddels onderdeel uitmaken van The Beloved Collective.

Bij alle mensen die ja zeiden tegen een gesprek, een ontmoeting, een experiment of een ontdekkingsreis waarvan ik zelf de uitkomst nog niet kende.

Ik dacht dat ik na Schiphol op zoek was naar een nieuwe baan.

Misschien zocht ik al die tijd naar een nieuw professioneel thuis.

En misschien heb ik het nu gevonden.

Thuis

Het bijzondere is dat ik privé vrijwel simultaan dezelfde reis heb gemaakt.

Ik ben gescheiden.

Het thuis zoals ik het kende hield in die vorm op te bestaan.

En ook daar moest ik opnieuw onderzoeken wat thuis eigenlijk betekent.

Ik heb voor mezelf en mijn kinderen een nieuw thuis gemaakt.

Mijn happy place.

Niet perfect.

Wel van ons.

En ook daar ontdekte ik dat een ander niet meer hoeft te komen om iets compleet te maken wat zonder hem incompleet zou zijn.

Er mag een man komen.

Sterker nog: ik zou hem heel graag verwelkomen.

Niet een perfecte man.

Alsjeblieft niet.

Ik ben zelf ook niet af.

Ik wil geen eindproduct ontmoeten.

Ik wil een mens ontmoeten.

Met rafelrandjes, eigenaardigheden, verhalen, verlangens, angsten, talenten en imperfecties. Iemand die mij niet nodig heeft om hem compleet te maken en die mij ook niet probeert af te maken.

Iemand met wie ik kan blijven groeien.

Met wie ik de taart verder kan versieren.

Met gouden randjes en pareltjes.

Alle kleuren van de regenboog.

En vooruit, die unicorns mogen hier ook weer terugkomen.

I would love to have him, but I don't need him to be loved.

Dat verschil voelt voor mij enorm.

Want liefde is er al.

In mijn kinderen. Mijn vriendinnen. Mijn familie. De mensen met wie ik werk. De ontmoetingen die mij hebben veranderd. In mezelf. In wat er tussen mij en andere mensen steeds opnieuw kan ontstaan.

Hij hoeft mijn thuis dus niet te bouwen.

Hij mag erin thuiskomen.

En misschien kunnen we van daaruit samen weer iets maken wat er zonder onze ontmoeting nooit was geweest.

I can actually have the cake and eat it.

Rijk

Op papier is mijn leven op dit moment op sommige punten minder voorspelbaar dan vroeger.

Ik heb geen vast of gegarandeerd jaarinkomen. Ik weet niet precies hoe mijn onderneming zich zal ontwikkelen. Ik weet niet welke mensen over tien jaar nog naast me staan en welke onderweg een andere afslag nemen.

Vroeger had ik waarschijnlijk gedacht dat ik eerst meer zekerheid nodig heb om me rijk te kunnen voelen.

Het gekke is dat ik me zelden zo rijk heb gevoeld als nu.

In rust.

In vrijheid.

In mensen.

In creativiteit.

In mogelijkheden.

In liefde.

Niet omdat alles is gelukt of omdat iedereen is gebleven. Ook niet omdat de pijnlijke stukken achteraf opeens leuk waren. Maar ik kan inmiddels zien wat er onderweg allemaal is ontstaan.

Ik ben dankbaar voor de mensen die zijn gebleven én voor de mensen die uit mijn leven zijn verdwenen. Voor wat ik van hen heb geleerd. Voor de mensen die mij liefhadden en voor de mensen bij wie ik heb moeten leren mezelf niet te verlaten. Voor de gesprekken die iets openbraken. Voor de grenzen die nodig bleken. Voor de mislukkingen die mij een andere kant opstuurden. Voor iedereen die de moed had om met mij op avontuur te gaan zonder vooraf te weten waar we zouden uitkomen.

En voor iedereen die openstond voor een ontmoeting met mij.

Niet met mijn functie.

Niet met mijn cv.

Niet met mijn perfecte versie.

Met mij.

Sheila Hicks.

We hebben elkaar uiteindelijk niet alleen nodig om ergens bij te horen.

We hebben elkaar ook nodig om te kunnen WORDEN.

In relatie met een ander kunnen delen van ons zichtbaar worden die we alleen nooit hadden ontdekt.

En dát is wat ik al die tijd aan het onderzoeken ben.

In mensen.

In organisaties.

In plekken.

Hoe creëren we omstandigheden waarin we werkelijk aan tafel durven komen?

Met onze kennis én onze twijfel. Onze ratio én onze intuïtie. Onze kracht én onze kwetsbaarheid. Onze eigen werkelijkheid én de nieuwsgierigheid naar die van een ander. Onze schoonheid én onze imperfectie.

Niet om hetzelfde te worden.

Maar om samen iets te kunnen maken wat geen van ons alleen kan maken.

Een idee.

Een thuis.

Een collectief.

Een plek.

Een gemeenschap.

En uiteindelijk misschien zelfs een wereld.

Gemeenschap is kritieke infrastructuur.

Relaties zijn de dragers ervan.

En liefde?

Liefde is het cement.

Liefde is mijn woord.

Geloof. Hoop. Liefde.

"building beloved communities together"

🤍 It all starts with one conversation 🤍

Vector 1
Sheila Hicks 8

Klaar om de ruimte
op te zoeken?

Blijf in beweging. Wil je regelmatig een dosis zachte scherpte en reflecties in je mailbox ontvangen? Schrijf je in voor mijn Liefdesbrieven en blijf verbonden met de magie in jou.

Vector
Sheila Hicks 4