Over wat ons levend houdt, de moed om te kiezen en waarom ik nog steeds geloof dat het anders kan.

Een paar weken geleden zat ik in Salzburg.
Prachtige stad. Mooie reis. Mijn kinderen bij me. We aten lekker, dwaalden door straten en kerken en er was op papier eigenlijk weinig reden om me ongelukkig te voelen.
En toch waren mijn gedachten op sommige momenten behoorlijk donker.
Ik schreef er later één zinnetje over in mijn laatste broodkruimel van de vakantie. Dat mijn hoofd gewoon mee was gegaan op vakantie. En mijn zorgen helaas ook. Die bleken niet bereid twee weken alleen thuis te blijven.
Dat was grappig bedoeld.
Maar er zat een behoorlijk serieuze werkelijkheid onder.
Ik ben vorig jaar gaan ondernemen en hoewel ik steeds beter weet waar ik naartoe wil, weet ik nog lang niet altijd hoe ik daar kom. En soms kijk ik naar mijn bankrekening en rekent mijn hoofd haarfijn uit hoeveel maanden vrijheid daar nog op staan.
Op zo'n moment verandert geld ineens in tijd.
En tijd in angst.
In Salzburg deed mijn hoofd wat hoofden blijkbaar uitstekend kunnen wanneer ze bang zijn: het begon scenario's te bouwen.
Niet de gezellige soort.
Mijn gedachten bewogen steeds verder naar beneden, totdat ik ergens uitkwam bij het ultieme doemscenario:
Straks eindig ik als zwerver.
Geen huis. Geen geld. Alles kwijt.
Mijn hoofd kan nogal grondig zijn als het eenmaal besluit te catastroferen.
Maar wat me achteraf misschien nog wel het meest raakte, was niet eens het verlies van mijn huis of mijn spullen. Het was het gevoel dat er in dat scenario niets meer overbleef waarvoor ik wilde opstaan.
En ja, natuurlijk heb ik mijn kinderen.
Misschien wel de grootste liefde in mijn leven en alleen al daarom wil ik hier nog heel lang zijn. Maar zelfs in mijn donkerste scenario had mijn hoofd hen blijkbaar veilig ondergebracht. Ze zijn bijna volwassen, hebben een betrokken vader en ik vertrouw erop dat zij hun weg zullen vinden. Misschien is dat uiteindelijk ook een deel van opvoeden: je kinderen zoveel proberen mee te geven dat je erop durft te vertrouwen dat ze steeds meer op eigen benen kunnen staan.
De vraag die in Salzburg onder mijn angst bleek te liggen, ging daarom niet over hoeveel mensen ik liefheb.
Hij ging over mij.
Als ik alles afpel - bezit, werk, status, rollen, zelfs het nodig zijn voor anderen - wat maakt míjn leven dan voor mij de moeite waard?
En ergens in die nogal donkere gedachtegang verscheen ineens een absurd alternatief.
Als ik dan toch alles kwijt zou raken en nauwelijks nog iets zou bezitten...dan kon ik net zo goed non worden.
Ik moest er zelf om lachen.
Want materieel gezien verschilden mijn twee scenario's helemaal niet zoveel van elkaar. In beide had ik weinig bezit en weinig geld, maar het ene beeld voelde doods en het andere verrassend levend.
Als non kon ik namelijk nog steeds iets wat in het zwerversscenario volledig verdwenen leek: mijn missie leven.
Building Beloved Communities Together.
Ik kon nog steeds mensen ontmoeten, luisteren, verbinden, iets bijdragen en onderdeel zijn van een gemeenschap. Ik kon nog steeds proberen de wereld om mij heen een beetje mooier en liever te maken.
Het is uiteraard geen serieus carrièreplan. Voor zover ik weet staat er ook nergens een klooster met mijn naam op de deur.
Maar er was iets wezenlijks veranderd.
Niet mijn fictieve financiële situatie.
Mijn gevoel van betekenis.
En daarmee kwam er ineens weer levensenergie in het beeld.
Misschien is dat wat een North Star uiteindelijk doet. Ze vertelt je niet precies welke weg je moet nemen. Ze geeft je een reden om te blijven zoeken naar een weg.
Als ik niet meer weet hóé mijn leven eruit moet zien, weet ik blijkbaar nog wel waarvóór ik het wil leven.
Purpose blijkt daarmee ineens veel minder vrijblijvend dan een mooie zin voor op mijn website.
Een verhaal dat ik lang niet gemakkelijk vertelde
Toch weet ik ook dat het ingewikkelder is dan dat.
Misschien weet ik dat zelfs al veel langer dan ik me realiseer.
Ik was 21 toen mijn halfzus overleed door zelfdoding.
Ze was tien jaar ouder dan ik, de dochter van mijn vader uit zijn eerste huwelijk. Ze was arts en in opleiding tot internist.
Het is een verhaal dat ik heel lang niet snel vertelde.
Er zat schaamte op.
Wat zal iemand nu van ons denken?
En misschien nog meer...schuld.
Had ik iets moeten zien? Had ik iets kunnen doen? Had zij dan nog geleefd?
Op de ochtend dat ze stierf had ze de hond nog uitgelaten en was ze vertrokken. Ze kwam niet meer thuis.
Mijn moeder had ik de dag daarvoor op het vliegtuig naar Indonesië gezet. Mijn ouders waren vlak daarvoor gescheiden en zij ging daar een paar maanden naartoe om tot zichzelf te komen. Mijn vader woonde en werkte op dat moment in India en zou volgens plan drie dagen later naar Nederland komen.
Dus toen het bericht kwam, was ik alleen.
Ineens moest die 21-jarige Sheila gesprekken voeren, dingen regelen en omgaan met haar vriend en zijn familie, terwijl de verhoudingen door eerdere conflicten allesbehalve veilig voelden.
Gelukkig waren er mensen bij wie ik terechtkon. Mijn petemoeder. Mijn nichtje, die voor mij als een zus is.
Maar ik kan me nauwelijks een ander moment in mijn leven herinneren waarop ik me zo verloren, verdwaald en onveilig heb gevoeld.
In haar afscheidsbrief schreef mijn zus dat kritiek van twee artsen uit haar opleiding voor haar de nekslag was geweest.
Ik wil daar geen eenvoudige verklaring van maken voor iets wat nooit eenvoudig is.
Mijn zus had bovendien wel degelijk purpose. Je wordt niet zomaar arts en begint niet aan een specialisatie tot internist zonder enorme gedrevenheid.
Maar ze was blijkbaar ook ontzettend alleen in haar worsteling.
En misschien raakt dát mij, bijna dertig jaar later, nog het meest.
Dat een mens iets kan hebben om voor te leven en tegelijkertijd nergens meer durft of denkt te kunnen aankloppen wanneer het leven te zwaar wordt.
Misschien hebben we daarom niet alleen iets nodig om vóór te leven.
We hebben ook mensen nodig om mee te leven.

Misschien is dit ouder dan ik dacht
Ik wil de dood van mijn zus niet langer een stille dood laten zijn.
Niet door achteraf betekenis te verzinnen voor haar keuze. Die betekenis ken ik niet en zal ik nooit kennen.
Maar misschien kan ik wel betekenis geven aan wat haar dood in míj heeft achtergelaten.
Want terwijl ik dit schrijf, vraag ik me af of mijn fascinatie voor gemeenschap, veiligheid en verbinding daadwerkelijk pas begonnen is toen ik er jaren later woorden aan leerde geven.
Misschien is dit veel ouder dan ik dacht.
Misschien lag daar al een zaadje.
Een Beloved Community is voor mij namelijk niet een groep mensen die het gezellig met elkaar heeft.
Het is een plek waar je gezien wordt.
Waar iemand merkt wanneer je stiller wordt. Waar je niet eerst hoeft om te vallen voordat iemand vraagt hoe het werkelijk met je gaat. Waar je de moed kunt vinden om te zeggen: het gaat niet goed met mij.
En waar iemand dan niet onmiddellijk hoeft te repareren, adviseren of oplossen.
Maar kan zeggen:
Kom maar. Ik ben er.
Zodat je het niet alleen hoeft te dragen.
En misschien is dát ook waarom ik zo geraakt word door de cijfers.
In 2024 voelde bijna één op de tien Nederlanders van 15 jaar en ouder zich sterk eenzaam en nog eens bijna drie op de tien enigszins eenzaam. Onder jongeren van 15 tot 25 jaar komt juist sterke emotionele eenzaamheid, het missen van een hechte band, relatief vaak voor: 12,9 procent.
In 2025 overleden in Nederland 1.758 mensen door zelfdoding. Bijna vijf mensen per dag. Onder tieners en twintigers was zelfdoding de belangrijkste doodsoorzaak.
Natuurlijk zijn eenzaamheid en zelfdoding niet hetzelfde. En natuurlijk is er nooit één oorzaak en dus ook niet één eenvoudige oplossing.
Maar die cijfers maken voor mij wel één vraag behoorlijk urgent:
Wat voor samenleving bouwen we als zoveel mensen zich daarin alleen voelen?
Wat als gemeenschap kritieke infrastructuur is?
Misschien klinkt gemeenschap zacht in een wereld waarin we gewend zijn maatschappelijke problemen op te lossen met systemen, beleid, processen en businesscases.
Ik begin steeds meer te denken dat het tegenovergestelde waar is.
Gemeenschap is kritieke infrastructuur. Het is het menselijke fundament waarop een samenleving rust.
En als we dát als uitgangspunt nemen, gaan we misschien fundamenteel andere vragen stellen over hoe we wonen, werken en samenleven.
Niet alleen:
Hoeveel woningen kunnen we hier bouwen?
Maar ook:
Hoe ontwerpen we een buurt waarin mensen elkaar daadwerkelijk kunnen ontmoeten en leren kennen?
Niet alleen:
Hoe krijgen we medewerkers naar kantoor en hoe verhogen we de productiviteit?
Maar:
Wat maakt een werkomgeving tot een plek waar mensen zich veilig genoeg voelen om te zeggen dat het niet goed gaat?
Niet alleen:
Hoe organiseren we onderwijs, zorg, sportverenigingen en publieke ruimte zo efficiënt mogelijk?
Maar:
Welke condities creëren we waardoor mensen elkaar kunnen zien, kennen, dragen én om hulp durven vragen?
Misschien zijn heel veel dingen die we nu afzonderlijk proberen op te lossen uiteindelijk verbonden met dezelfde onderliggende vraag:
Hoe zorgen we ervoor dat mensen zich onderdeel voelen van iets?
Niet door community als sausje over een gebouw, organisatie of buurt te gieten.
Maar door verbinding als ontwerpprincipe te gebruiken.
Voor mensen.
Voor organisaties.
Voor plekken.
Hoeveel hebben we eigenlijk nodig?
Het grappige is dat ik tijdens diezelfde vakantie nog iets anders ontdekte.
We reisden wekenlang met ongeveer één tas kleding per persoon. We hadden een bed, iets te eten, een boek, elkaar en af en toe een goede kop koffie.
En we waren gelukkig.
Thuis staat een huis vol spullen waar ik voor moet zorgen. Dingen die onderhouden, verzekerd, gerepareerd, betaald en soms zelfs afgestoft moeten worden.
Ik weet niet of we allemaal stiekem verlangen naar zo min mogelijk bezit. Dat lijkt me iets te gemakkelijk.
Maar misschien verlangen we soms wel naar minder ballast.
Angst vertelt mij dat ik méér nodig heb om veilig te zijn, terwijl vakantie me tegelijkertijd laat ervaren hoe verrassend weinig ik nodig heb om me vrij te voelen.
En laten we het ook niet romantiseren: mijn hypotheek accepteert vooralsnog geen purpose als betaalmiddel.
Geld doet ertoe. Financiële veiligheid doet ertoe.
Maar misschien is geld niet de enige manier waarop we kunnen waarnemen of er genoeg is.
De feiten waren niet veranderd
Toen we thuiskwamen, stond er niet ineens op magische wijze een ander bedrag op mijn bankrekening.
Maar er begonnen wel dingen te bewegen.
Alleen niet noodzakelijkerwijs in de vorm waarin ik had geleerd overvloed te herkennen.
Ik dacht altijd vrij lineair: ik werk, daar krijg ik geld voor en dus komt er geld binnen.
Maar overvloed kan blijkbaar ook betekenen dat er minder geld uit hoeft. Dat iemand met je meedenkt en zegt: betaal later maar, we zien wel hoe het loopt. Dat iemand je iets cadeau wil doen wat je jezelf op dat moment niet zou gunnen. Dat een project dat ogenschijnlijk stil lag ineens weer een stap verder komt. Of dat iemand met wie je lang geen contact had opeens weer in de lucht komt, omdat diegene heeft zitten nadenken over hoe jullie misschien iets voor elkaar kunnen betekenen.
En soms is overvloed gewoon iemand die, zonder dat je erom vraagt, zegt:
Laat maar weten wat ik van je kan overnemen.
Dat raakt aan een les die ik zelf nog behoorlijk aan het leren ben.
Ontvangen.
Ik ben namelijk nogal goed in dragen. Mijn metaforische Mary Poppins-tas zit doorgaans vol met spullen voor mezelf, drie andere mensen en alle mogelijke noodscenario's die onderweg zouden kunnen ontstaan.
Maar je laten dragen vraagt dat je niet onmiddellijk alles zelf oplost. En dat blijkt verrassend lastig.
Misschien is dat ook wel de andere kant van gemeenschap.
Niet alleen bereid zijn een ander te dragen.
Ook durven ontvangen wanneer een ander jou wil dragen.
En toen ging het licht weer even uit
Dat je zoiets eenmaal hebt bedacht, betekent helaas niet dat je er vervolgens permanent naar leeft.
Was het maar zo makkelijk.
Onlangs kreeg ik een paar berichten vanuit een samenwerking die me dierbaar is. Er ging niets mis. Mensen deelden gewoon eerlijk hun twijfels.
Maar mijn zenuwstelsel hoorde iets anders...Afwijzing.
De volgende ochtend werd ik wakker. Het regende hard en ik voelde me mentaal beroerd.
Mag ik alsjeblieft gewoon in bed blijven liggen?
Dat kon alleen niet, want juist die dag stonden een paar belangrijke gesprekken in mijn agenda.
Dus besloot ik maar eens te beginnen met douchen.
Daarna stond ik voor mijn kledingkast en dacht:
Ik heb vandaag iets masculiens nodig.
Aan feminien en emotie namelijk geen gebrek.
Ik trok iets aan waarin ik me krachtig voelde, stapte in de auto en deed onderweg ademhalingsoefeningen. Op een gegeven moment legde ik mijn hand op mijn hart en zei hardop:
I'm safe.
Niet: het komt goed.
Niet: vandaag krijg ik een opdracht.
Niet eens: vanavond voel ik me beter.
Alleen:
I'm safe.
Dat verschil begrijp ik nu beter.
Veiligheid is iets anders dan zekerheid.
The Bold and the Beautiful
Mijn eerste afspraak die ochtend was met mijn twee helden die mij helpen scherper te krijgen wie ik ben, waar ik voor sta en hoe ik dat naar buiten breng.
Ik besloot gewoon te vertellen hoe mijn pet erbij stond.
Dat ik emotioneel was. Dat het niet aan hen lag als ik zou gaan huilen, tenzij ze natuurlijk iets onaardigs zouden zeggen. En ik vertelde vooral wat ik die ochtend van hen nodig had:
helderheid.
Niet alleen eerlijkheid.
Want helderheid is eerlijk, maar eerlijkheid is niet per se helder.
En toen gingen we aan het werk.
Er kwamen inderdaad emoties. Vooral wanneer we terechtkwamen bij mijn waarheid, mijn missie en de dingen die voor mij werkelijk belangrijk zijn. Maar naarmate het gesprek vorderde, kwam er ook steeds meer helderheid.
Ik liep niet weg bij wat ik voelde.
Ik hoefde het ook niet eerst op te lossen.
Het mocht er zijn, terwijl we verdergingen.
En terwijl ik dit nu schrijf na het verhaal over mijn zus, raakt me daar iets wat ik op die ochtend zelf helemaal niet zo bewust zag:
ik vertelde het.
Ik zei dat het niet goed met me ging.
Ik zei wat ik nodig had.
En er zaten twee mannen tegenover me bij wie dat veilig genoeg voelde.
Misschien is dat wel veel belangrijker dan ik toen besefte.
Op een gegeven moment kreeg ik een vraag.
Stel dat je over een jaar op de voorpagina van de krant staat. Wat is dan de titel? Welke foto staat erbij? En wat is de eerste zin?
Het antwoord kwam vrijwel onmiddellijk.
The Bold and the Beautiful.
En ik zag de foto ook.
Twee werelden naast elkaar.
Aan de ene kant de wereld als we blijven doen wat we altijd hebben gedaan. Zwart-wit. Koud. Kaal. Leeg.
Daarnaast dezelfde wereld, maar volledig in kleur. Warm. Rijk. Levend. De wereld als we de moed hebben om het anders te doen.
En de eerste zin?
Sheila heeft laten zien dat het anders kan.
Oké dan.
No pressure...
Bold én Beautiful
Pas later ben ik gaan nadenken over waarom juist die twee woorden uit me kwamen.
Bold staat voor mij voor brutaal, stoer, eerlijk, recht voor zijn raap, gedurfd en moedig. De energie om te bewegen, ook wanneer iets spannend is.
Beautiful staat voor liefde, schoonheid, zachtheid, rijkdom, verbinding en overvloed.
Maar beide hebben ook een schaduw.
Bold zonder Beautiful kan verharden. Kracht wordt controle, daadkracht wordt forceren en een wereld waarin alleen die energie regeert kan koud, kaal en schaars worden.
Beautiful zonder Bold kan net zo goed ontsporen. Schoonheid wordt ijdelheid, zachtheid wordt pleasen en we creëren een prachtige buitenkant waarachter niemand meer de ongemakkelijke waarheid durft te benoemen.
We hebben ze daarom allebei nodig.
Masculien én feminien. Kracht én zachtheid. Waarheid én liefde.
En na het schrijven van dit verhaal zou ik er nog iets aan willen toevoegen. Misschien is Bold óók de moed om te zeggen:
Het gaat niet goed met mij.
En Beautiful dat er iemand is die blijft zitten wanneer je dat zegt.
De vraag waar geen antwoord op kwam
Later die dag zat ik tegenover iemand uit mijn professionele netwerk.
Het gesprek ging goed. We gingen behoorlijk de diepte in en toch merkte ik dat ik moest zoeken naar de plek waar het werkelijk interessant werd. Op veel van mijn vragen kwam een logisch en waterdicht antwoord.
Tot ik uiteindelijk iets anders vroeg.
Als jij hier over een paar jaar weggaat, wat wil je dan hebben achtergelaten?
En ineens was er geen pasklaar antwoord.
Daar bleef ik.
Niet omdat ik het antwoord voor de ander wist, maar juist omdat ik voelde dat er iets zat wat het onderzoeken waard was. We praatten verder. Ik luisterde, stelde vragen en spiegelde wat ik hoorde. Soms zacht, soms behoorlijk recht voor zijn raap.
En uiteindelijk zei ik:
Ik denk dat ik je hierbij kan helpen. En als je daarvoor openstaat, wil ik je daar graag een aanbod voor doen.
Ik kon de ander niet vertellen welk antwoord eruit moest komen. Ook niet of het antwoord op mijn aanbod ja of nee moest zijn.
Dat is niet van mij.
Ik kon alleen de vraag stellen, de spiegel voorhouden en de uitnodiging doen.
En daarna moest ik loslaten.
Volwassen mensen kunnen namelijk prima hun eigen kopje kiezen, had ik eerder die week geleerd.
Wat verkoop je eigenlijk?
Grappig genoeg was mij die ochtend zelf bijna dezelfde beweging aangeboden.
Niet met de vraag naar mijn legacy, maar met een veel praktischere vraag:
Kun je in één zin vertellen waar je naartoe werkt, wat je verkoopt en hoe je helpt?
Verschrikkelijke vraag. Want probeer maar eens alles wat je denkt, voelt, onderzoekt en doet in één zin te proppen. Maar ergens gedurende die ochtend werd het antwoord verrassend eenvoudig.
Ik werk aan Building Beloved Communities Together.
En dat begint voor mij niet bij een community.
Het begint bij één mens.
Bij iemand helpen herinneren wie hij is. Waar hij voor staat. Wat voor hem werkelijk betekenis heeft.
Want pas als we stevig genoeg in onszelf kunnen staan, kunnen we een ander werkelijk ontmoeten zonder onszelf daarin kwijt te raken.
Dan kan tussen ik en jij iets ontstaan wat geen van beiden alleen kan maken.
Wij.
Gemeenschap.
En wat verkoop ik dan?
Gesprekken.
Geen antwoorden. Geen stappenplan waarmee ik je vertel wie je moet worden.
Ik luister, stel vragen, reflecteer en spiegel. Soms liefdevol, soms behoorlijk recht voor zijn raap, totdat we samen iets blootleggen wat je misschien allang wist, maar onderweg uit het oog bent verloren.
Zoals die vraag die ik later die dag zelf aan iemand stelde:
Wat wil je eigenlijk hebben achtergelaten?
Dat is mijn werk.
Mensen helpen hun eigen North Star terug te vinden, zodat ze van daaruit weer kunnen bewegen.
Niet omdat ik hun route ken, maar omdat ik blijkbaar behoorlijk goed ben in het stellen van de vraag waardoor iemand zelf weer ziet waar hij naartoe wil.
Okeeeeee prima toch
Aan het einde van de dag was ik totaal kapot.
Maar ook voldaan. En trots.
Mijn bankrekening was niet veranderd. Ik had geen nieuwe zekerheid gekregen en wist nog steeds niet wat er uit mijn gesprekken zou komen.
De feiten waren grotendeels hetzelfde.
Maar ik keek er niet meer naar vanuit dezelfde plek.
's Morgens had ik onder mijn dekbed willen verdwijnen. 's Avonds reed ik naar huis en voelde ik dat ik had gedaan wat ik die dag moest doen.
En toen kreeg ik een appje van mijn dochter.
Of ik die dag mijn spannende gesprek had gehad. Met een kus-emoji erbij.
Ik vond het ontroerend lief en voelde tegelijkertijd iets waar ik alert op wil blijven. Ik wil eerlijk kunnen zijn tegen mijn kinderen over het leven, ook als dat even onzeker is. Maar mijn zorgen hoeven niet die van hen te worden.
Ik vertelde haar dat het gesprek goed was gegaan, maar dat ik nog niet wist of er iets uit zou komen.
Haar antwoord:
"Okeeeeee prima toch."
Ja.
Eigenlijk wel.
Misschien is dát vertrouwen
Ik dacht lang dat vertrouwen iets te maken had met geloven dat het uiteindelijk goedkomt.
Dat als ik maar voldoende vertrouw, de juiste mensen, opdrachten, liefde of mogelijkheden vanzelf op mijn pad verschijnen.
Maar misschien is zelfs dat nog een vorm van controle.
Vertrouwen is voor mij steeds meer weten waar mijn North Star staat wanneer ik nog niet kan zien hoe de weg verder loopt.
Niet wachten tot de angst weg is.
Niet doen alsof geld er niet toe doet.
Niet geloven dat iedere relatie uiteindelijk iets moet opleveren.
En ook niet proberen het universum ervan te overtuigen dat mijn gewenste uitkomst toevallig óók de beste is.
Gewoon weten waarvoor ik wil blijven bewegen.
Maar na het schrijven van dit verhaal weet ik ook:
een North Star alleen is niet genoeg.
We hebben iets nodig om vóór te leven.
En mensen om mee te leven.
Mensen bij wie we terechtkunnen wanneer we onze North Star zelf even niet meer kunnen zien. Die niet noodzakelijkerwijs de weg voor ons weten, maar naast ons kunnen blijven staan terwijl wij hem proberen terug te vinden.
Ik denk daarom dat purpose levensenergie is.
En gemeenschap de bedding waarin die levensenergie kan blijven stromen.
Niet omdat ieder mens een grootse missie nodig heeft of zijn levensdoel in drie woorden op een tegeltje moet kunnen zetten.
Het kan je kind zijn. Een geliefde. Iets wat je wilt maken. Voor iemand zorgen. Een probleem dat je wilt oplossen. Schoonheid creëren. Een gemeenschap waarvan je onderdeel bent.
Iets waardoor je, ook als je even niet weet hóé, nog een antwoord hebt op de vraag:
Waarom wil ik morgen meemaken?
Voor mij zit een deel van dat antwoord in Building Beloved Communities Together.
In onderzoeken of we anders kunnen wonen, werken, leiden, organiseren en samenleven.
In mensen helpen herinneren wie ze zijn.
En in gemeenschappen bouwen waarin we elkaar niet pas zien wanneer iemand omvalt.
Technicolor unicorns and rainbows
Misschien is dat uiteindelijk wat die nogal ambitieuze krantenvoorpagina me laat zien.
Aan de ene kant die zwart-witte wereld.
Koud. Kaal. Leeg.
En daarnaast een wereld die warm, rijk en levendig is.
Mijn Technicolor unicorns and rainbows-wereld, zeg maar.

Niet omdat ik geloof dat alles daarin mooi, makkelijk en liefdevol is.
Dat geloof ik juist níét.
Ik weet inmiddels dat er duisternis bestaat.
Ik heb haar van dichtbij gezien.
Mijn Technicolor unicorns and rainbows-wereld is daarom geen wereld waarin niemand meer bang, verdrietig, eenzaam of wanhopig is.
Zo'n wereld bestaat niet.
Het is een wereld waarin we die dingen niet alleen hoeven te dragen.
Waarin we het lelijke niet hoeven weg te poetsen om schoonheid te kunnen zien.
Waarin angst er mag zijn zonder dat zij altijd bepaalt welke kant we oplopen.
Waarin we eerlijk kunnen zijn over wat niet werkt en moedig genoeg zijn om het anders te proberen.
Waarin we onze steden, huizen, werkplekken, organisaties en gemeenschappen niet alleen ontwerpen rondom efficiëntie, rendement en individuele behoeften, maar óók rondom iets heel menselijks:
de behoefte om ergens bij te horen.
Dat is voor mij uiteindelijk The Bold and the Beautiful.
Bold genoeg om de waarheid onder ogen te zien.
Beautiful genoeg om te geloven dat het anders kan.

Sheila heeft laten zien dat het anders kan.
Dat was de zin die die ochtend als eerste in me opkwam.
Inmiddels denk ik dat ik hem vooral eerst zelf te leven heb.
Niet alleen wanneer alles meezit.
Juist wanneer het regent. Wanneer mijn zenuwstelsel op tilt slaat. Wanneer mijn bankrekening me iets vertelt wat ik liever niet wil horen. Wanneer ik mijn spark even kwijt ben.
En misschien ook door eindelijk een verhaal te vertellen waar ik bijna dertig jaar lang niet gemakkelijk over sprak.
Het is niet dat ik inmiddels alle antwoorden heb, maar ik geloof niet langer dat moeilijke verhalen stil moeten blijven om veilig te zijn.
Veerkracht zit niet in nooit vallen.
Het zit in steeds opnieuw kunnen terugvinden waarvoor je wilt opstaan.
En misschien zit gemeenschap in weten dat, wanneer dat even niet lukt, er iemand naast je zit.
Soms Bold.
Soms Beautiful.
En op goede dagen een beetje van allebei.
Met af en toe een unicorn, een rainbow én confetti-regen om het leven een beetje magie te geven.
Geloof. Hoop. Liefde.
🤍 It all starts with one conversation 🤍
Blijf in beweging. Wil je regelmatig een dosis zachte scherpte en reflecties in je mailbox ontvangen? Schrijf je in voor mijn Liefdesbrieven en blijf verbonden met de magie in jou.