Mijn vader bouwde bruggen
Over ruimte, liefde en wat we werkelijk doorgeven.

Nieuwe gordijnen of op vakantie met mijn kinderen.
Allebei paste op dit moment niet.
Dus koos ik voor de vakantie.
Niet omdat gordijnen onbelangrijk zijn, maar omdat ik steeds scherper begin te voelen dat sommige dingen later nog kunnen en andere niet.
Gordijnen kan ik volgend jaar ook nog kopen. Deze zomer niet.
Hoe ouder mijn kinderen worden, hoe meer ik besef dat tijd een vreemde eigenschap heeft.
We leven vaak alsof er altijd nog een volgende keer komt.
Nog een vakantie, een wandeling, een gesprek of nog een zomer.
Tot je ineens ontdekt dat kinderen volwassen worden. Dat ouders ouder worden. En dat het leven zich niets aantrekt van onze agenda.
Ik ging naar de film Mama'ku.
De film volgt een dochter die samen met haar moeder terugreist naar Jakarta en de Molukken. Niet alleen om een land beter te leren kennen, maar vooral om haar moeder. Om te begrijpen waar zij vandaan komt. Waarom zij is geworden wie ze is. En waarom sommige vragen een leven lang onbeantwoord blijven.
Vooraf werd de korte film Sudah vertoond.
Die raakte me misschien nog wel harder, omdat ik er iets in herkende wat ik nooit eerder zo helder onder woorden had kunnen brengen.
Indische families die samen koken, samen eten, samen lachen, maar zwijgen over alles wat werkelijk pijn doet.
"Sudah."
Laat maar.
We hebben het er niet meer over.
Terwijl ik daar zat, gebeurde er iets onverwachts.
Ik voelde heimwee.
Niet naar een vakantie, maar naar mijn oorsprong. Naar een deel van mezelf waarvan ik me nooit eerder had gerealiseerd dat ik het miste.
De geuren. Het eten. De muziek. De beelden van Jakarta.
Ze brachten me terug naar mijn jeugd.
Naar de reizen die ik vroeger met mijn ouders naar Indonesië maakte.
Hoe ouder ik word, hoe vaker ik me afvraag hoeveel verhalen zij nooit heeft verteld.
Niet omdat ze dat niet wilde, maar misschien omdat sommige herinneringen te veel pijn doen.
Mijn moeder was nog een klein meisje toen haar ouders uit elkaar gingen. De drie kinderen werden verdeeld over drie verschillende plekken.
Soms denk ik dat verdriet generaties kan overslaan, omdat niemand de woorden vindt om het door te geven.
Misschien begon mijn nieuwsgierigheid naar mensen daar wel.
Niet bij de antwoorden, maar bij alles wat niet werd uitgesproken.
Mijn vader bouwde bruggen.
Letterlijk.
Hij was werktuigbouwkundig ingenieur en werkte zijn hele leven aan havens, rivieren en bruggen.
In Indonesië.
In Bangladesh.
Later in Zuid-India.
Toen ik begin twintig was, nodigde hij mij uit om hem op te zoeken in Chennai. Eigenlijk zou een vriendin met me meegaan, maar vlak voor vertrek kreeg ze onverwacht een baan dus ging ik alleen. Mijn vader had bedacht dat ik na twee weken bij hem doorgebracht te hebben, zelfstandig verder zou reizen naar Delhi en Agra.
Ik weet nog precies wat ik tegen hem zei: "Pap... dat ga ik echt niet alleen doen."
Hij keek me aan.
Hij dacht even na.
En zei vervolgens heel eenvoudig: "Dan ga ik mee."
Pas nu, ruim vijfentwintig jaar later, besef ik hoe bijzonder die woorden eigenlijk waren.
Hij had een plan…en liet het los, omdat zijn dochter hem nodig had.
We reisden samen naar Delhi.
Van daaruit zouden we met de trein naar Agra gaan om eindelijk de Taj Mahal te zien.
Vol verwachting kwamen we aan op het station.
Tot iemand zei: "De Taj is vandaag gesloten."
Maandag…Natuurlijk.
Daar hadden we allebei niet aan gedacht.
We baalden.
Heel even.
En besloten daarna iets wat achteraf misschien wel het mooiste onderdeel van de hele reis werd.
We bleven.
Zonder extra kleding, zonder voorbereiding, zonder plan.
We zwierven door Agra, maakten een tocht met paard en wagen en bezochten het Rode Fort.
We sliepen in een aftands hotel waar ik aan het einde van de dag ontdekte dat mijn witte T-shirt boven mijn broek volledig bruin was geworden van het stof, terwijl het deel dat in mijn broek had gezeten nog spierwit was.
Ik zie ons nog zitten.
Moe.
Stoffig.
Lachend.
Alsof niets mislukte.
Alsof alles precies zo had moeten zijn.
De volgende ochtend stonden we nog voor zonsopgang op.
Langzaam kleurde de lucht roze.
En daar stond hij.
De Taj Mahal.
Badend in het eerste licht van de dag.
Ik heb hem daarna nog vaak op foto’s gezien, maar nooit meer zoals toen.
En achteraf denk ik steeds vaker dat de Taj Mahal misschien helemaal niet de grootste herinnering van die reis is geworden.
Dat was die onverwachte maandag.
De dag waarop alles anders liep dan gepland en juist daardoor mooier werd.
Jarenlang dacht ik dat mijn vader mij India had laten zien.
Dat is natuurlijk ook zo, maar de laatste tijd begin ik me af te vragen of hij mij ongemerkt nog iets anders heeft gegeven.
Niet door iets uit te leggen of mij een les te leren, maar door iets voor te leven.
Dat plannen mogen veranderen.
Dat avontuur soms begint waar controle ophoudt.
En dat je iemand kunt begeleiden zonder zijn weg over te nemen.
Misschien was dat wel de eerste brug die mijn vader voor mij bouwde.
Niet een brug van staal, maar een brug van vertrouwen.
En misschien...begon mijn eigen reis daar al.
Alleen zag ik het toen nog niet.
Of misschien is het andersom.
Misschien ben ik degene die India eindelijk begint te zien.
Na de uitvaart van de vader van mijn dierbare galerievriend Jaring raak ik in gesprek met zijn nieuwe partner.
Hij komt uit Mumbai.
Ik vertel hem dat ik ooit met mijn vader een bijzondere gemeenschap heb bezocht. Een plek ergens in Zuid-India. Ik zie de rode aarde nog voor me. De stilte. De enorme gouden bol in het midden. En vooral mijn verlangen om daar zo snel mogelijk weer weg te gaan.
"Ik weet alleen de naam niet meer," zeg ik.
Hij hoeft nauwelijks na te denken en zegt: "Auroville."
Natuurlijk.
Hoe kon ik die naam vergeten zijn?
Ik loop een buurvrouw tegen het lijf die ik maanden niet heb gezien. Ook zij komt uit India.
Mijn fairy godmother (van Indiase komaf) vertelt tijdens een gesprek dat zij als twintiger óók Auroville bezocht. En net als ik dacht ze destijds: Wat is dit voor sekte?
We moeten er allebei om lachen.
Niet omdat één van ons ongelijk had, maar omdat we allebei beseffen hoeveel onze blik op de wereld in de tussentijd veranderd is.
Op Insta zie ik voorbij komen dat Koningin Máxima een bezoek bracht aan India.
De BeneFit Foundation, waar ik mij voor inzet, blijkt samen te werken met een stichting in India.
En uit een My Heritage DNA-test die ik dit jaar uit nieuwsgierigheid deed, blijkt dat mijn wortels niet alleen in Zuidoost-Azië liggen, maar voor een klein deel ook in India en Bangladesh.
Bengalen.
Ik glimlach.
Niet omdat zo'n test bepaalt wie ik ben, maar omdat ook dit voelt als een broodkruimel.
Alsof India zachtjes blijft fluisteren: "Kijk nog eens."
Veel interessanter vind ik inmiddels een andere vraag.
Wat probeert het leven mij te laten zien?
Misschien is dat wel het grootste verschil met tien jaar geleden.
Vroeger zocht ik vooral verklaringen. Tegenwoordig ben ik minstens zo nieuwsgierig naar betekenis. Niet omdat alles een betekenis móét hebben, maar omdat sommige gebeurtenissen zich blijven herhalen totdat je bereid bent opnieuw te kijken.
Ons gesprek begon weken geleden met een mogelijke investering, maar inmiddels gaat het al lang niet meer alleen daarover.
Steeds vaker praten we over nalatenschap. Over de vraag wat een mens werkelijk doorgeeft.
Haar man Noel heeft zijn leven gewijd aan onderzoek naar diabetes en stofwisseling.
Zij bouwde ondertussen bedrijven, diagnostische innovaties en internationale samenwerkingen op het gebied van gezondheid, voeding en cultuur.
Twee indrukwekkende levens.
En toch ging ons gesprek uiteindelijk niet over wat zij hadden opgebouwd.
Niet over prijzen.
Niet over succes.
Maar over een veel eenvoudigere vraag.
Hoe zorg je ervoor dat wat je hebt opgebouwd ook zonder jou blijft voortleven?
Die vraag bleef bij me.
Misschien omdat ik me ineens realiseerde dat mijn vader mij helemaal geen geld heeft nagelaten.
Dat verwachten mensen vaak wanneer ze het woord erfenis horen, maar mijn vader liet mij letterlijk geen financieel vermogen na. En toch voelt het soms alsof hij nog iedere dag iets aan mij doorgeeft.
Niet in euro's, maar in moed.
In nieuwsgierigheid.
In de manier waarop hij naar de wereld keek.
In de manier waarop hij mij leerde kijken.
Misschien is dát wel de meest waardevolle vorm van nalatenschap.
Niet wat je bezit…Maar wat je doorgeeft.
Misschien zijn mijn fairy godmother en haar man wel de rijkste mensen die ik de afgelopen tijd heb ontmoet.
Niet omdat ze het grootste vermogen hebben opgebouwd, maar omdat ze zich bezighouden met een veel belangrijkere vraag.
Wat geef ik werkelijk door?
Wat blijft er van mijn leven zichtbaar wanneer ik er zelf niet meer ben?
Aan het einde van ons gesprek vertelt mijn fairy godmother iets over haar Sikh-achtergrond.
Binnen het Sikh-geloof dragen mannen de naam Singh, wat leeuw betekent.
Vrouwen dragen de naam Kaur, wat prinses betekent.
Die namen werden eeuwen geleden ingevoerd om het kastenstelsel af te schaffen. Juist om duidelijk te maken dat afkomst niet bepaalt wie je bent.
Dat raakt me.
Misschien omdat ik de laatste tijd steeds vaker ontdek dat volwassen relaties niet vragen om gelijkheid. Ze vragen om gelijkwaardigheid.
Dat is iets heel anders.
Een leeuw hoeft geen prinses te worden.
Een prinses hoeft geen leeuw te worden.
Ze blijven verschillend.
En toch zijn ze gelijkwaardig.
Mijn fairy godmother glimlacht.
"Één verschil hebben we nog niet opgelost," zegt ze.
"Dat tussen mannen en vrouwen."
We schieten allebei in de lach.
En toch blijft haar opmerking hangen.
Misschien is de kunst van samenleven helemaal niet dat verschillen verdwijnen.
Misschien is de echte kunst dat verschillen naast elkaar kunnen bestaan.
Zonder dat de één de ander probeert te worden.
Dertig jaar geleden wilde ik er vooral weg.
Ik vond het zweverig.
Misschien zelfs een beetje sektarisch.
Nu zou ik er graag nog eens teruggaan.
Niet omdat ik ineens denk dat Auroville het antwoord heeft, maar omdat ik mezelf een andere vraag ben gaan stellen.
Welke vraag probeert deze plek eigenlijk te beantwoorden?
Hetzelfde geldt voor Damanhur in Italië, een gemeenschap waar ik deze zomer hoop langs te gaan.
Niet om iets te geloven of mezelf ergens van te overtuigen, maar om nieuwsgierig te zijn.
Om te onderzoeken wat zulke plekken ons misschien kunnen leren over samenleven.
Over gemeenschap.
Over mens-zijn.
Misschien bouwde mijn vader daarom wel bruggen.
Niet alleen tussen oevers, maar ook tussen werelden.
Tussen mensen.
Tussen wat we al begrijpen...
...en wat zich pas veel later laat zien.
Misschien begon ook mijn eigen reis daar.
Ik zag het alleen nog niet.
Lange tijd dacht ik dat liefde betekende dat je zo dicht mogelijk bij elkaar bleef.
Dat je betrokken was.
Dat je voor elkaar zorgde.
Dat je wist wat de ander nodig had, soms nog voordat die ander het zelf wist.
Pas veel later begon ik te zien dat liefde ook te dichtbij kan komen.
Mijn moeder en ik houden veel van elkaar.
Daar twijfel ik geen moment aan.
Juist daarom heeft het me jaren gekost om te begrijpen dat liefde en ruimte elkaar niet uitsluiten.
Onze relatie voelde lange tijd bijna symbiotisch.
Niet omdat mijn moeder mij wilde vasthouden.
En ook niet omdat ik niet los wilde komen.
Maar omdat we allebei deden wat we hadden geleerd.
Voor de ander zorgen.
Aanvoelen.
Afstemmen.
Geven.
Achteraf vraag ik me af hoeveel daarvan al generaties eerder was begonnen.
Mijn moeder verloor al als jong meisje haar thuis zoals zij dat kende, toen haar ouders uit elkaar gingen. Mijn oma Lien koos destijds voor een nieuw leven met de man van wie zij hield. Een moedige én ingrijpende keuze, zeker in die tijd en binnen de Indonesische cultuur, waar familie en loyaliteit zo'n belangrijke plaats innemen. Mijn overgrootvader stemde daar uiteindelijk mee in, op één voorwaarde: de drie kinderen werden verdeeld over vader, moeder en opa, omdat geen van allen alleen voor hen konden zorgen. Mijn moeder groeide daardoor op zonder het gezin, zoals zij dat had gekend.
Misschien kun je moeilijk ruimte geven wanneer je als kind al zo vroeg hebt geleerd dat wat veilig voelt, ook zomaar kan verdwijnen.
Ik weet het niet, maar ik kijk er tegenwoordig met meer zachtheid naar.
Drie jaar geleden verhuisde mijn moeder definitief terug naar Indonesië.
Ik had verwacht dat die afstand vooral pijn zou doen.
Dat deed hij ook.
Maar tegelijkertijd gebeurde er iets wat ik nooit had zien aankomen.
Er ontstond ruimte.
Niet minder liefde.
Meer ruimte.
Ruimte om mezelf beter te leren kennen.
Ruimte om mijn eigen keuzes te maken zonder voortdurend onbewust rekening te houden met een ander.
Ruimte om voor mezelf te zorgen.
En misschien wel voor het eerst echt te ontdekken wie ik ben wanneer niemand aan mij trekt.
Pas toen begon ik te begrijpen dat afstand en nabijheid geen tegenpolen zijn. Soms maakt juist afstand een diepere vorm van nabijheid mogelijk.
Die ontdekking veranderde ook iets in de manier waarop ik naar mijn kinderen kijk.
Hoe ouder Tobias en Amy worden, hoe meer ik besef dat opvoeden misschien wel steeds opnieuw hetzelfde vraagt.
Niet loslaten, maar ruimte geven.
Niet ineens, maar stap voor stap.
Zoals je de oevers van een rivier langzaam verlegt.
Net genoeg om de rivier verder te laten groeien.
Niet zoveel dat zij haar richting verliest.
En niet zo weinig dat het water nergens meer naartoe kan.
Ik hoef hun leven niet voor hen te leven.
Ik hoef hun fouten niet te voorkomen.
Ik hoef hun weg niet uit te stippelen.
Wat ik hoop dat zij vooral voelen, is dit.
Dat wanneer ze achterom kijken...
...ik er nog steeds ben.
Niet om hun keuzes over te nemen of te zeggen welke kant ze op moeten, maar als een veilige plek.
Een oever.
Waarnaar je altijd kunt terugkeren wanneer het leven even groter voelt dan jijzelf.
Geen geld.
Dat heeft hij mij letterlijk niet nagelaten.
Maar wel het gevoel dat ik mijn eigen weg mocht gaan.
In de wetenschap dat hij er was.
Dat ik altijd even achterom kon kijken.
En hem daar zou zien staan.
Ik dacht lange tijd dat onvoorwaardelijke liefde betekende dat je je hart zo ver mogelijk openzette.
Dat je ruimte gaf.
Dat je bleef.
Dat je de ander volledig vrijliet.
Daar geloof ik nog steeds in, maar inmiddels denk ik dat er iets wezenlijks ontbreekt wanneer je daar stopt.
Onvoorwaardelijke liefde betekent niet grenzeloze liefde.
Die twee haal ik niet langer door elkaar.
Een grens hoeft geen muur te zijn.
Misschien is een grens veel eerder een oever.
Niet om de rivier tegen te houden, maar juist om haar te laten stromen.
Want een rivier kan alleen stromen als er ruimte is én richting.
Misschien geldt dat ook voor liefde.
Niet te weinig ruimte, maar ook niet grenzeloos.
Precies genoeg om allebei jezelf te kunnen blijven.
Wanneer de oevers te dicht op elkaar komen, verdwijnt de ruimte.
Wanneer ze te ver uit elkaar liggen, verliest de rivier haar richting.
Misschien vraagt liefde niet voortdurend dichter naar elkaar toe bewegen, maar steeds opnieuw zoeken naar de ruimte waarin twee mensen volledig zichzelf kunnen zijn én met elkaar verbonden blijven.
Ik verlang niet naar nabijheid die mij opslokt.
Ik verlang naar nabijheid die ruimte geeft.
Ruimte om volledig mezelf te zijn.
En waarin ik de ander diezelfde ruimte kan geven.
Misschien geldt dat niet alleen voor liefde.
Maar ook voor ouderschap.
Voor vriendschap.
Voor leiderschap.
Voor organisaties.
Voor gemeenschappen.
Mijn vader liet mij zien hoe belangrijk ruimte is.
Mijn moeder liet mij ervaren hoe diep verbondenheid kan zijn.
Lange tijd dacht ik onbewust dat ik tussen die twee moest kiezen.
Nu vermoed ik dat het leven iets anders van mij vraagt.
Niet kiezen, maar verbinden.
Ruimte én verbondenheid.
Misschien dragen we die twee bewegingen allemaal in ons.
Niet als man of vrouw, maar als mens.
Misschien is volwassen worden uiteindelijk niets anders dan die twee steeds beter met elkaar leren verbinden.
Er is een vorm van wijsheid die niet hard hoeft te praten.
Die zich niet op de voorgrond dringt.
Die niet probeert te winnen, maar rustig wacht totdat wij bereid zijn om werkelijk te luisteren.
Ik denk dat ik die wijsheid de afgelopen jaren steeds beter ben gaan herkennen.
Niet buiten mijzelf, maar in mijzelf.
Geen strak reisschema.
Geen hotels die maanden geleden al zijn geboekt.
Alleen een paar plekken die ons trekken.
Salzburg, omdat Amy heeft besloten dat we eindelijk alle filmlocaties van The Sound of Music moeten bezoeken.
Daarna Italië, omdat dat land voor mij altijd voelt als thuiskomen.
Misschien Venetië.
Verona.
Milaan.
Het Comomeer.
En dan door Frankrijk terug.
Annecy.
Parijs.
En als het zich aandient onderweg...Damanhur.
Dertig jaar geleden reisde ik met mijn vader door India.
Deze zomer reis ik met mijn kinderen door Europa.
En ineens zie ik de overeenkomst.
Niet de bestemming, maar de manier van reizen.
Vroeger wilde ik alles vooraf weten.
Iedere overnachting.
Iedere route.
Iedere tussenstop.
Nu vertrekken we met een richting en met vertrouwen.
Misschien veranderen we onderweg tien keer van plan.
Misschien ontdekken we plekken waarvan we nu nog niet eens weten dat ze bestaan.
Misschien wordt juist dát uiteindelijk de mooiste herinnering.
Net zoals die onverwachte maandag in Agra.
‘Seven Wonders’ van Fleetwood Mac.
De favoriete band van mijn vader.
En verwijzend naar de Taj Mahal, één van de zeven wereldwonderen
Het liedje dook het afgelopen jaar op de vreemdste momenten op.
Vlak voordat ik een belangrijke presentatie moest geven.
Onderweg naar een spannend gesprek.
Op plekken waar ik het totaal niet verwacht.
Misschien is het toeval.
Misschien ook niet.
Ik hoef dat eigenlijk niet meer te weten.
Soms voelt het alsof mijn vader nog steeds hetzelfde doet als vroeger.
Niet mijn route bepalen of mijn keuzes maken, maar heel even zijn licht laten schijnen.
Alsof hij wil zeggen:
"Ik zie je."
"Ga maar."
"Je kunt dit."
En misschien is dat uiteindelijk wel wat ouders doen.
Niet hun kinderen vertellen welke weg ze moeten gaan, maar hen het vertrouwen geven dat ze hun eigen weg kunnen vinden.
Ik hoop ooit nog eens terug te gaan naar Indonesië.
Niet alleen, maar samen met de liefde van mijn leven als onze wegen elkaar ooit kruisen.
Niet omdat ik hem een land wil laten zien, maar omdat ik hem wil laten zien waar een deel van mij vandaan komt.
Mijn wortels.
Mijn verhalen.
Mijn stilte.
Mijn thuis.
Misschien is dat uiteindelijk de meest intieme uitnodiging die je iemand kunt doen.
Niet: "Kom in mijn leven."
Maar: "Kom mee naar mijn oorsprong."
Niet om haar te begrijpen of om haar te veranderen, maar om haar te leren kennen, zoals zij mij heeft gevormd.
Ik verlang niet naar iemand die mijn reis overneemt.
Ik verlang naar een reisgenoot.
Iemand die naast mij loopt.
Nieuwsgierig genoeg om samen onbekende wegen in te slaan.
En ontspannen genoeg om onderweg van route te veranderen.
Net zoals mijn vader dat ooit deed.
Mijn vader bouwde bruggen.
Letterlijk.
Ik probeer iets anders te bouwen.
Ruimte.
Ruimte waarin mensen zichzelf durven te laten zien en elkaar werkelijk kunnen ontmoeten, zodat ze samen kunnen groeien en floreren.
Waar verschillen niet verdwijnen, maar naast elkaar mogen bestaan.
Waar nieuwsgierigheid belangrijker is dan gelijk krijgen.
Waar mensen zich veilig genoeg voelen om helemaal zichzelf te worden.
Misschien is dat uiteindelijk wat mijn vader mij heeft doorgegeven.
Niet hoe je een brug bouwt, maar wat een brug mogelijk maakt.
Mijn vader bouwde bruggen.
Ik hoop een veilige oever te zijn.
Blijf in beweging. Wil je regelmatig een dosis zachte scherpte en reflecties in je mailbox ontvangen? Schrijf je in voor mijn Liefdesbrieven en blijf verbonden met de magie in jou.