Over creativiteit, anders leren kijken en ruimte maken voor wat we nog niet zien.

Vorige week zondag schreef ik mijn eerste gedicht.
Dat klinkt alsof ik van plan was een gedicht te schrijven. Dat was niet zo. Ik zat in Leusden tijdens een schrijfworkshop van Manon Huntjens met drie lege vellen papier voor mijn neus. De opdracht was om te schrijven zonder vooraf te weten waar het naartoe moest. Niet nadenken over de lezer, proberen er iets goeds van te maken of alvast ordenen, verbeteren en betekenis geven.
Gewoon schrijven.
Manon noemt die drie pagina's schrijven compost verzamelen. Alles mag erop. Gedachten, herinneringen, observaties, flarden, woorden die nergens bij lijken te horen. Het hoeft nog niets te zijn. Zoals compost bestaat uit dingen die afzonderlijk misschien waardeloos lijken, maar samen de voedingsbodem kunnen worden voor iets nieuws.
Dat beeld bleef bij me hangen. Inspiratie haal ik namelijk al mijn hele leven overal vandaan: uit gesprekken, gebouwen, muziek, kunst, reizen, mensen, een zin die iemand achteloos uitspreekt, iets wat ik lees of een liedje dat midden in de nacht ineens in mijn hoofd zit. Mijn brein legt voortdurend verbindingen tussen dingen die op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken hebben.
Ik dacht eigenlijk dat dát mijn creatieve proces was.
Tot er die zondag een luikje openging.
Sindsdien schrijf ik iedere ochtend drie pagina's, het liefst zo snel mogelijk nadat ik wakker ben geworden. Ik begin steeds hetzelfde:
Liefste,
Wat mag ik vandaag zien, voelen, horen?
Wat heb je mij te vertellen?
Ik luister graag en geniet van je verhalen.
Liefs,
Sheila
Wie Liefste precies is, weet ik niet. Het kan mijn geliefde zijn, mijn onderbewuste, mijn intuïtie, God, liefde of mijn creatieve brein. Misschien schrijft mijn bewuste aan mijn onderbewuste en schrijft dat vervolgens terug. Ik heb besloten dat voorlopig niet te willen weten. Ik wil eerst maar eens kijken wat er gebeurt.
En er gebeurt iets.
Nu ik dit een aantal dagen achter elkaar doe, begint er bijna een briefwisseling te ontstaan. Hoe eerder ik na het ontwaken schrijf, hoe helderder de woorden lijken te komen. Soms in hele volzinnen. Brieven bijna. Later op de dag verschijnen vaker flarden, losse woorden en stukjes gedachte.
Waarom dat zo is, weet ik niet. Een paar ochtenden vormen bepaald nog geen wetenschappelijk experiment. Maar ik vind het fascinerend om waar te nemen, juist omdat alleen al de vraag waarmee ik begin behoorlijk verschilt van de manier waarop ik normaal gesproken mijn hoofd aan het werk zet.
Niet: Wat moet ik vandaag oplossen of bedenken?
Maar: Wat mag ik zien, voelen, horen?
Een andere ingang. En blijkbaar verschijnt er dan ook andere informatie.
Tijdens die eerste workshop verscheen dit:
Liefde

Toen ik het later teruglas, zag ik natuurlijk van alles. Woorden die weg konden, regels die sterker konden, een gedeelte dat minder goed liep. Mijn analytische brein had vrij snel een mening over mijn eerste poging tot poëzie.
Alleen was dat brein te laat.
Het gedicht bestond al.
Daar begon ik me af te vragen of er die zondag eigenlijk wel een nieuw vermogen was ontstaan. Ik denk het niet. Het luikje was er waarschijnlijk altijd al. Ik had alleen een nieuwe manier gevonden om het te openen.
Anders kijken
Die gedachte kwam me bekend voor. In mijn laatste Liefdesbrief, Terug naar start, schreef ik over iets wat me de afgelopen maanden steeds vaker opvalt: we kunnen ongelooflijk zorgvuldig naar een probleem kijken en toch een deel van het plaatje missen.
We rekenen, meten, analyseren, ontwerpen, optimaliseren en lossen op. Maar welke vraag hebben we eigenlijk gesteld? Welke aannames zijn onderweg feiten geworden? Welke meetlat gebruiken we? En welke informatie valt daardoor al buiten beeld voordat we überhaupt beginnen?
Ik schreef:
“We gebruiken niet alleen soms de verkeerde meetlat. We zijn vóórdat we beginnen te meten al een deel van het plaatje kwijtgeraakt.”
Bij het nieuwe clubhuis van Klein Zwitserland betekent dat voor mij bijvoorbeeld dat we niet onmiddellijk bij een plattegrond beginnen, maar eerst onderzoeken voor wie en waarvoor we eigenlijk bouwen. Bij een gesprek over economie betekende het kijken naar waarde die buiten onze gebruikelijke financiële meetlat valt. En in een gesprek met mijn personal trainer ontstond de vraag wat een lichaam ons kan vertellen dat in een bestuurskamer misschien niet wordt gehoord.
Ik dacht dat ik daarmee vooral over systemen schreef. Inmiddels zie ik dat ik óók over creativiteit schreef.
Want creativiteit begint voor mij steeds minder bij het bedenken van iets origineels en steeds meer bij het vermogen om anders te kijken naar wat er al is. Een andere vraag stellen. Een andere meetlat gebruiken. Twee dingen naast elkaar leggen die normaal niet naast elkaar liggen. Een andere informatiebron serieus nemen. Het geheel bekijken in plaats van alleen de postzegel. Iets waarvan iedereen denkt het antwoord al te kennen opnieuw onderzoeken.
Dus voordat ik vraag wat is de oplossing?, eerst een andere vraag:
Wat zie ik eigenlijk nog niet?
Dat is voor mij een veel interessantere betekenis van creativiteit aan het worden. En ineens zijn die drie lege vellen geen schrijfoefening meer. Ze trainen een spier die ik overal nodig heb.
We zijn creativiteit gaan verwarren met prestatie
De Britse onderzoeker Daisy Fancourt gebruikt de term artistieke passiviteit voor iets wat in onze samenleving is veranderd. Veel spontane creatieve tradities zijn uit het dagelijks leven verdwenen: samen zingen, verhalen vertellen, dansen. Tegelijkertijd zijn we kunst steeds vaker gaan bekijken als iets wat wordt beoefend door mensen die er heel goed in zijn.
Daarmee gebeurt iets merkwaardigs. Een kind tekent voordat het weet of het kan tekenen. Het zingt voordat het zichzelf vergelijkt met een professionele zanger. Het verzint een verhaal zonder zich schrijver te noemen.
Ergens onderweg verschijnt de beoordeling: Kan ik dit wel? Is het goed genoeg? Wat zullen anderen ervan vinden? En uiteindelijk misschien zelfs: Ik ben niet creatief.
Terwijl de werkelijkheid ook kan zijn:
Ik ben gestopt met dingen maken waarvan ik niet wist of ik er goed in was.
We zijn creativiteit gaan verwarren met prestatie. En daardoor zijn we niet alleen minder gaan maken. We oefenen ook minder in iets anders: nieuwsgierig blijven naar datgene waarvoor we nog geen bestaand kader hebben.
Dat maakt Manons onderscheid tussen vrij schrijven en maken voor mij zo belangrijk. De beoordelaar hoeft helemaal niet weg. Ambacht doet ertoe. Een eerste ingeving is nog geen goed verhaal en vrij schrijven is iets anders dan schrijven voor een lezer.
De beoordelaar moet alleen leren wachten op zijn beurt.
Eerst luisteren en vrij schrijven. Daarna maken en delen.
Tijdens het maken komt mijn analytische vermogen weer volledig terug. Ik selecteer, orden, onderzoek en schrap. En ik stel mezelf een andere belangrijke vraag:
Welke vorm helpt om wat ik gevonden heb bij een ander aan te laten komen?
Het vrije schrijfsel is niet automatisch de uiteindelijke vorm. Ik schrijf van nature lang en associatief. Mijn denken beweegt van een gedachte naar een zijpad, een verbinding, een uitzondering, een ander perspectief en uiteindelijk weer terug naar waar ik begon, meestal met iets nieuws in mijn handen.
Dat is onderdeel van hoe ik denk. Maar authenticiteit betekent voor mij niet: dit is hoe mijn hoofd werkt, zoek maar uit of je me kunt volgen.
Tijdens het vrije schrijven hoeft niemand mij te kunnen volgen. Tijdens het maken heb ik verantwoordelijkheid voor mijn helft van de brug. En ook dat is iets wat ik nog iedere dag leer en oefen: hoe ik mijn deel van die brug zo kan bouwen dat wat voor mij vanzelfsprekend voelt, ook voor een ander toegankelijk wordt.
Maken is het vrije schrijfsel een vorm geven, waarin een ander haar kan ontvangen.
De vorm volgt wat er verteld wil worden
Dat is ook een van de redenen waarom ik zo graag naar Taylor Swift luister. Niet alleen vanwege haar muziek, maar vanwege de manier waarop zij verhalen bouwt. Herinneringen, personages, details en gevoelens krijgen een vorm waarin iets heel persoonlijks door miljoenen andere mensen kan worden herkend.
Afgelopen augustus speelde ze tijdens een Grammy Museum-sessie delen uit verschillende nummers achter elkaar. Liedjes uit verschillende periodes kregen door hun nieuwe samenhang ineens een ander verhaal.
Dat fascineert me, omdat betekenis soms niet in de losse delen zit. Ze ontstaat in het verbinden.
Dat herken ik in mijn eigen manier van denken. Een schrijfworkshop, een gesprek met een kunstenaar, een oefening tijdens het sporten, een gebouw, een wetenschappelijk onderzoek, iets wat mijn dochter zegt, een column of een liedje: het belandt allemaal op die composthoop. En ergens worden twee dingen die niets met elkaar te maken leken te hebben naast elkaar gelegd en wordt iets zichtbaar wat ik daarvoor niet zag.
Ook dat is creativiteit: niet voortdurend iets uit het niets scheppen, maar nieuwe verbindingen zien in wat er allang was.
Never waste a good crisis
Deze week las ik de column Breuklijnen van Sinan Can over kunst en pijn. Over grote kunstenaars en schrijvers bij wie verlies, ziekte, vernedering of gemis onderdeel werd van wat zij maakten. Hij romantiseert dat lijden nadrukkelijk niet. Terecht. Pijn maakt een mens niet automatisch creatiever of wijzer.
Eén gedachte bleef wel bij me hangen: een crisis kan ons de illusie ontnemen dat het leven controleerbaar is.
We zeggen niet voor niets: never waste a good crisis. Wanneer iets wegvalt waarvan we dachten dat het vaststond, werken oude antwoorden soms niet meer. Onze vertrouwde meetlat voldoet niet en de werkelijkheid dwingt ons opnieuw te kijken.
Ik ken inmiddels ook een paar van die breuklijnen. Een scheiding. Het verlies van werk en positie. Het overlijden van dierbaren. Relaties die een andere vorm kregen dan ik had gedacht. Zekerheden die minder zeker bleken.
Ik geloof niet dat die dingen nodig waren om mij creatiever te maken. Sommige had ik met liefde overgeslagen. Ze hebben me wel gedwongen bepaalde vragen opnieuw te stellen.
En terwijl ik deze week iedere ochtend mijn drie pagina's schreef, dacht ik ineens: waarom zouden we daarop wachten?
Waarom zou er eerst iets moeten breken voordat we opnieuw kijken naar wat we vanzelfsprekend zijn gaan vinden?
We hebben niet altijd een crisis nodig om anders te leren kijken.
We kunnen het trainen.
Dat is voor mij de interessantste ontdekking van deze week.
Ik train niet om iedere ochtend iets moois te produceren of geïnspireerd te zijn. Ik train om niet onmiddellijk terug te vallen op wat ik al weet. Om een onverwachte associatie iets langer te volgen, een waarneming niet meteen te beoordelen, een andere ingang toe te laten, een vraag opnieuw interessant te maken en te verdragen dat ik het antwoord nog niet weet.
We kunnen ons vermogen om anders te kijken trainen voordat de werkelijkheid ons daartoe dwingt.
Dat is geen luxe
Daarmee is creativiteit voor mij ook iets anders geworden dan een leuke menselijke extra voor kunstenaars, schrijvers en mensen met beroepen waar creative in hun functietitel staat.
We hebben dit vermogen nodig in organisaties, wetenschap, maatschappelijke vraagstukken, samenwerking en bij het ontwerpen van plekken. Overal waar bestaande antwoorden niet meer voldoende zijn voor de werkelijkheid waarin we terecht zijn gekomen.
Iedere organisatie kent aannames die ooit logisch waren en daarna niet meer zijn onderzocht. Processen die zijn geërfd. Data die we blijven gebruiken omdat niemand meer precies weet waarom juist díé data ooit belangrijk werden gevonden. Problemen die we al jaren proberen op te lossen binnen hetzelfde kader waarin ze zijn ontstaan.
Dan helpt nóg preciezer meten soms niet. Dan moeten we eerst weer naar het hele bord kijken.
Daarom voelen creativiteit en mijn werk steeds minder als twee verschillende dingen. Of ik nu met een mens praat, naar een organisatie kijk of aan een plek werk, mijn eerste beweging is steeds vaker dezelfde: kijken en luisteren voordat ik ga oplossen. Vragen stellen. Perspectieven naast elkaar leggen. Onderzoeken wat als vanzelfsprekend wordt aangenomen en zichtbaar proberen te maken wat binnen het bestaande kader buiten beeld bleef.
Perspectiefwisseling als onderzoeksinstrument.
Daarna komt het maken.
Creativiteit laat zich daarom ook niet zomaar afdwingen. Je kunt iemand moeilijk bevelen om om 14.00 uur een vernieuwend idee te hebben, net zoals je mensen niet kunt opdragen elkaar te vertrouwen of zich verbonden te voelen.
Wat je wél kunt doen, is de omstandigheden creëren waarin zoiets kan ontstaan: tijd en aandacht geven, verschillende perspectieven toelaten, nieuwsgierigheid en veiligheid bevorderen, ruimte maken voor stilte en spel, nadenken over de fysieke omgeving en vragen stellen waarop het antwoord nog niet vaststaat.
En vooral: ruimte laten om iets nog even niet te weten.
Niet ieder moment vraagt hetzelfde van ons
Ook daarin begon ik deze week iets te merken. Op een avond wilde ik inhoudelijk reageren op een LinkedIn-post. Ik was moe en voelde dat ik de scherpte miste om precies te formuleren wat ik bedoelde. Tegelijkertijd had ik gek genoeg wél zin om aan een langer artikel te beginnen.
Tijdens de workshop hoorde ik een advies, toegeschreven aan Susan Smit: ben je scherp, herschrijf. Ben je open en geïnspireerd, schrijf nieuwe stukken. Ben je moe, doe research.
Ik zou daar geen productiviteitswet van maken. Soms betekent moe gewoon: naar bed. Maar het maakte iets zichtbaar wat ik breder interessant vind: we hebben niet op ieder moment van de dag toegang tot dezelfde vermogens.
Ik was die avond niet beschikbaar voor precisie, wel voor associëren en verkennen.
Daardoor veranderde mijn vraag van Ben ik nu productief genoeg? naar:
Waarvoor ben ik op dit moment beschikbaar?
Mijn eigen toestand is óók een conditie.
Die gedachte wil ik nog verder onderzoeken. We organiseren werk immers meestal alsof een mens gedurende de hele werkdag ongeveer dezelfde cognitieve, creatieve en sociale capaciteit beschikbaar heeft.
Dat lijkt me op zijn minst een interessante aanname om opnieuw te bekijken.
Er zit nog zoveel in een mens
Uiteindelijk raakt me aan deze week niet zozeer dat ik ineens een gedicht heb geschreven. Het is het besef hoeveel er blijkbaar in een mens aanwezig kan zijn voordat het een vorm heeft gevonden. Een verhaal, beeld, idee, melodie, oplossing, vraag of beweging kan lang geen uitgang vinden omdat we te druk zijn, te snel oordelen, niet weten hoe, denken dat we er niet goed genoeg in zijn of simpelweg nooit geleerd hebben er ruimte voor te maken.
Ik denk daarom niet dat we minder creatief zijn geworden.
We zijn vooral minder beschikbaar geworden voor onze eigen creativiteit.
En die beschikbaarheid kunnen we oefenen.
Daarvoor hoeven we niet allemaal drie pagina's te schrijven. Je kunt schilderen, dansen, dingen bouwen, koken, wandelen of muziek maken. Je kunt praten met iemand die totaal anders naar de wereld kijkt, een tentoonstelling bezoeken of een vraag stellen die je normaal nooit zou stellen.
De vorm kan verschillen. De beweging eronder is dezelfde: even ruimte maken voor iets waarvan je nog niet weet wat het gaat worden.
Waar in jouw leven bestaat die ruimte nog?
En ja, ik schrijf met AI
Ook dit artikel is mede ontstaan in gesprekken met AI. Ik gebruik het om informatie te zoeken, mijn gedachten te ordenen, verbanden te testen, tegenargumenten te onderzoeken en mezelf soms terug te laten sturen naar een gedachte waarvan ik dacht dat hij af was, maar waar nog een gat in bleek te zitten.
Dat doet voor mij niets af aan het eigene van wat ik schrijf.
AI heeft mijn leven niet geleefd. Het zat niet in Leusden met drie lege vellen voor zich, werd niet wakker met woorden die ineens in volzinnen verschenen en stond niet in de gebouwen waar ik iets zag wat nog geen naam had. Het voerde niet de gesprekken die later onverwacht met iets totaal anders verbonden bleken.
AI kan me helpen bij het zoeken, ordenen, spiegelen en maken.
Maar de composthoop waaruit ik schrijf, is van mij.
Daarom vind ik de vraag welk gereedschap iemand gebruikt uiteindelijk minder interessant dan een andere:
Ben jij nog de bron?
Schrijfsels
Ik weet niet wat er de komende tijd uit die drie ochtendpagina's gaat komen. Gedichten misschien. Verhalen. Halve zinnen die nergens terechtkomen. Ideeën voor mijn werk. Brieven.
En misschien ontstaat er inderdaad een briefwisseling tussen Liefste en mij waarvan ik voorlopig niet hoef te weten wie aan welke kant van het papier zit.
Wat eruit komt, hoeft ook niet onmiddellijk te weten wat het is. Voor sommige dingen maak ik daarom een nieuwe plek: Schrijfsels.
Geen gedichtenrubriek of literair project en ook geen aankondiging dat ik nu schrijver ben. Gewoon een plek voor wat ontstaat wanneer ik niet te snel bepaal wat iets moet worden.
In mijn vorige Liefdesbrief eindigde ik met:
“Soms brengt een beter antwoord ons niet verder. Soms hebben we een betere vraag nodig.”
Nu, een week later, wil ik daar iets aan toevoegen.
Soms dwingt het leven ons terug naar start. Maar we hoeven niet altijd te wachten tot het bord wordt omgegooid.
We kunnen oefenen in opnieuw kijken terwijl alles nog gewoon op zijn plek staat.
Morgenochtend liggen er daarom weer drie lege vellen.
Liefste,
Wat mag ik vandaag zien, voelen, horen?
Wat heb je mij te vertellen?
Ik luister.
Geloof. Hoop. Liefde.
🤍 It all starts with one conversation 🤍
Blijf in beweging. Wil je regelmatig een dosis zachte scherpte en reflecties in je mailbox ontvangen? Schrijf je in voor mijn Liefdesbrieven en blijf verbonden met de magie in jou.