Een veilige oever
Over werk, liefde en de bron waaruit ze allebei ontstaan.

Heel even dacht ik nog: dit is gewoon een werkdag.
Daarna dacht ik iets anders.
Ik dacht: dit weekend is ze weer bij haar vader. Ik kan zondag ook werken. Deze dag komt nooit meer terug.
We kwamen Peter en Gabi tegen. Ik ken hen al jaren. Toch is het pas de afgelopen anderhalf jaar dat ze echt dichtbij zijn gekomen. Zonder hen had ik waarschijnlijk nooit in dit huis gewoond. Zij brachten mij ooit in contact met de vorige eigenaresse. Soms besef je pas veel later welke rol iemand werkelijk in je leven heeft gespeeld.
We brachten de middag samen door. We praatten wat. We zwegen wat. We keken naar de zee. Er hoefde niets. Niemand had haast.
Toen ik naar huis fietste, merkte ik dat ik lichter was dan toen ik kwam.
Diezelfde avond sprak ik nog twee mensen. Heel verschillende gesprekken, maar toen ik later in bed lag, besefte ik dat ze iets gemeen hadden. Geen van beiden probeerde mij te overtuigen. Ze vroegen niet of ik zeker wist dat ik de goede keuzes maakte. Ze kwamen niet met oplossingen. Ze waren nieuwsgierig. Ze vertrouwden erop dat ik mijn eigen weg wel zou vinden.
Niet omdat er iets gebeurd was. Juist omdat er niets gebeurd was. Er kwamen tranen. Niet om een gebeurtenis van die dag, maar om iets wat ik al langer voelde en nu eindelijk onder ogen durfde te zien.
Ik ontdekte hoe lang mijn aandacht vooral naar de ander was gegaan. Naar wat de ander voelde, wat er misschien onder de oppervlakte leefde en naar de betekenis van de kleine momenten van verbinding. Momenten die mijn verlangen telkens opnieuw wakker maakten, om daarna weer plaats te maken voor stilte.
Ik merkte dat ik daar moe van werd. Niet van de ander. Van mezelf.
Voor het eerst stelde ik mezelf niet de vraag: Hoe zou het voor de ander zijn?
Ik stelde mezelf een andere vraag: Wat heb ik eigenlijk nodig?
Dat bleek een veel moeilijkere vraag.
Ik beëindigde een samenwerking. Niet omdat we ruzie hadden. Juist niet.
Voor het eerst voelde ik dat ik een grens mocht trekken vóórdat er frustratie ontstond. Ik hoorde mezelf zeggen dat ik alleen verder wilde als we allebei werkelijk vertrouwen hadden in de weg die we waren ingeslagen. Anders konden we beter stoppen.
Toen ik de telefoon neerlegde, voelde ik geen opluchting. Ik voelde rust.
Later stuurde ik nog een bericht. Dat ik dankbaar was voor de ervaring. Dat niet iedere ervaring eruitziet als een succes en toch van grote waarde kan zijn. Het antwoord dat ik terugkreeg bleef hangen:
"Success is getting what you want. Happiness is wanting what you get."
Ik glimlachte.
Niet omdat ik dacht dat ik het allemaal begreep, maar omdat ik voelde dat er iets veranderd was.
Ik was niet langer bezig de uitkomst te controleren. Ik was aan het leren trouw te blijven aan mezelf.
Dat van een veilige oever.
Mijn vader gaf mij die als kind.
Niet door voortdurend naast mij te lopen of mijn route te bepalen. Hij gaf mij ruimte om de wereld te ontdekken, in de wetenschap dat wanneer ik achterom keek, hij er nog steeds stond. Niet om mijn problemen op te lossen, maar om mij het vertrouwen te geven dat ik ze zelf aankon.
Pas veel later ontdekte ik dat een veilige oever niet alleen iets is wat je kunt krijgen.
Je hebt er zelf ook één te worden.
Dat klinkt eenvoudiger dan het is.
Ik heb lang gedacht dat ruimte geven bijna altijd iets goeds was. Dat nieuwsgierigheid, begrip en geduld vanzelf tot meer verbinding zouden leiden. Daar geloof ik nog steeds in. Misschien zelfs meer dan ooit. Alleen ontdekte ik de afgelopen anderhalf jaar ook iets anders.
Dat onvoorwaardelijk niet hetzelfde is als grenzeloos.
Ik merkte dat ik soms zoveel ruimte maakte voor de ander, dat ik ongemerkt uit mijn eigen ruimte verdween. Niet omdat iemand dat van mij vroeg. Omdat ik zelf steeds dacht dat ik nog iets geduldiger kon zijn. Nog iets meer begrip kon opbrengen. Nog iets langer kon wachten.
Tot ik me realiseerde dat ik langzaam ondervoed raakte.
Dat vond ik een pijnlijk inzicht. Juist omdat ik altijd dacht dat liefde groter wordt naarmate je meer kunt dragen.
Nu denk ik dat liefde iets anders nodig heeft.
Grenzen.
Niet als muren en ook niet als afstand.
Grenzen zijn voor mij steeds meer gaan voelen als oevers.
Een rivier heeft ruimte nodig om te kunnen stromen. Maar zonder oevers wordt het geen rivier. Dan overstroomt het land. Dan verdwijnt de richting.
Ik denk dat het ook geldt voor liefde.
En misschien geldt het net zo goed voor leiderschap. Voor ouderschap, voor vriendschap en ook voor ondernemerschap.
Dat besefte ik pas echt tijdens een dag Paard & Veld.
Ik stond tegenover merrie Bou van achthonderd kilo. We stonden nog geen handbreedte van elkaar vandaan. Ze keek me aan, ademde rustig door en respecteerde iedere grens die ik aangaf. Niet omdat ik haar wegduwde. Sterker nog, ik raakte haar niet aan. En ook niet omdat ik groter was, want zij was hier overduidelijk ‘de meerdere’. Maar wel omdat mijn grens blijkbaar helder genoeg was om door haar gevoeld te worden.
Later zag ik Bou bij iemand anders precies het tegenovergestelde doen. Daar liep ze dwars over de grenzen heen.
Ik vond dat fascinerend.
Niet omdat het paard iets nieuws liet zien, maar omdat zij zichtbaar maakte wat ik diep van binnen eigenlijk al wist.
Grenzen gaan niet over harder worden. Ze gaan over duidelijk worden.
Sindsdien merk ik dat ik anders naar mijn leven kijk. Ik zeg niet vaker nee. Ik zeg eerlijker ja. Dat klinkt misschien als een klein verschil. Voor mij voelt het als een wereld van verschil.
Ik kies op een doordeweekse donderdag voor een middag met mijn dochter.
Ik beëindig een samenwerking, voordat frustratie ontstaat.
Ik laat een relatie soms even los zonder mijn liefde ervoor kwijt te raken.
Niet omdat ik afstand wil creëren, maar omdat ik dichtbij mezelf wil blijven. En misschien is dat wel precies wat een veilige oever doet. Ze houdt de rivier niet tegen. Ze zorgt ervoor dat het water kan blijven stromen.
Van die vriendinnen die je alles durven te zeggen.
Gelukkig maar.
Ze vertelden dat ze mijn artikelen vaak te lang vinden. Dat ze halverwege afhaken. Dat ze niet begrijpen waarom ik zoveel deel, waarom ik over liefde schrijf, waarom ik een foto plaats waarop ik nog in bed lig zonder make-up en vooral waarom ik dit allemaal op LinkedIn deel.
"Daar is LinkedIn toch helemaal niet voor?" zei één van hen.
Ik moest lachen.
Niet omdat ik hun feedback niet serieus nam. Integendeel. Juist mensen die je al zo lang kennen, houden je een spiegel voor waar je zelf soms niet meer in kijkt.
Dus ik luisterde.
Hun vraag bleef de rest van de middag met me meelopen.
Niet omdat ik ineens begon te twijfelen aan wat ik doe. Dat deed ik eigenlijk helemaal niet. Ik merkte vooral dat ik nieuwsgierig werd naar mijn eigen antwoord. Waarom voelt dit voor mij zo vanzelfsprekend, terwijl het voor zoveel anderen juist zo vreemd lijkt?
Ik had net besloten voor mezelf te beginnen en vertelde de mannen van Bloemvaas enthousiast dat mijn bedrijf Unicorns & Rainbows zou gaan heten. Ik vond dat een prachtige naam. Eigenzinnig. Licht. Met een knipoog.
Ze luisterden aandachtig en zeiden daarna iets heel eenvoudigs.
"Volgens mij moet je het gewoon Sheila Hicks noemen."
Ik weet nog dat ik daar ongemakkelijk van werd. Alsof het opeens niet meer over een onderneming ging, maar over mij.
Achteraf denk ik dat zij iets zagen wat ik zelf nog niet helemaal durfde te zien. Dat mijn onderneming eigenlijk nooit over een naam ging. Uiteindelijk ben ík degene met wie mensen samenwerken. Niet een methode. Niet een model. En ook niet een logo.
Misschien is dat ook de reden dat ik zo vaak dezelfde vragen krijg. Niet alleen waarom ik niet solliciteer of waarom ik geen acquisitie doe. Veel vaker gaat de vraag over de manier waarop ik beweeg. Waarom ik niet harder aan mezelf trek. Waarom ik niet veel strategischer zichtbaar ben. Waarom ik zoveel tijd besteed aan schrijven, terwijl daar nog geen concrete opdracht tegenover staat. Waarom ik het aandurf om mijn gedachten en twijfels publiekelijk te delen op een platform waar de meeste mensen vooral hun successen laten zien.
Ik begrijp die vragen. Ik heb ze mezelf ook vaak genoeg gesteld. Sterker nog, soms stel ik ze mezelf nog steeds.
Er zijn dagen waarop ik naar mijn bankrekening kijk en denk: hoe gaat dit eigenlijk verder Sheila?
Ik heb op dit moment niet een agenda die maanden vooruit gevuld is. Ik weet niet precies waar mijn omzet over 3 maanden vandaan komt. Dat zou ik graag anders opschrijven, maar het zou niet waar zijn.
Wat wél waar is, is dat ik de afgelopen anderhalf jaar iets anders heb leren vertrouwen.
Niet de uitkomst.
Wel de volgende stap.
Ik ben niet gestopt met bewegen. Ik ben gestopt met trekken.
Dat klinkt als een klein verschil en voor mij voelt het alsof ik een andere taal heb geleerd.
Ik schrijf bijna iedere dag. Ik ontmoet mensen. Ik voer gesprekken. Ik onderzoek ideeën.
Niet omdat ik zeker weet waar ze naartoe leiden, maar omdat ik steeds opnieuw merk dat de volgende stap zich meestal pas laat zien wanneer ik de vorige heb gezet.
Ik beëindigde een samenwerking waarvan ik voelde dat we niet langer vanuit hetzelfde vertrouwen bewogen. Niet boos. Niet teleurgesteld. Het klopte gewoon niet meer. De dag daarna merkte ik dat er iets gebeurde wat ik inmiddels begin te herkennen. Er kwam ruimte vrij. Niet meteen voor een nieuwe opdracht. Wel voor een oud verlangen.
Ik dacht ineens weer aan de Ondernemersportretten die ik al een tijdje wilde schrijven en maar niet toe kwam. Ondernemersportretten die ik nu tot ‘Levensverhalen’ heb gedoopt.
Niet als businessmodel. Gewoon omdat ik voelde dat de tijd er rijp voor was.
Ik belde het buurtkrantje van de Archipel/Willemspark, mijn buurt.
Meer niet.
Misschien vonden ze het een leuk idee.
Misschien ook niet.
Toen ik belde, bleek de redactie diezelfde avond toevallig bij elkaar te komen. Of ik mijn idee wilde mailen. En terwijl we nog even verder praatten, vroeg ze terloops of ik misschien ook interesse had om hoofdredacteur te worden, omdat de huidige na jaren eindelijk met pensioen ging.
Ik moest lachen.
Niet omdat ik nu hoofdredacteur wil worden. Dat weet ik helemaal niet.
Maar omdat ik opnieuw zag hoe het leven soms reageert op een kleine beweging. Niet omdat alles dan vanzelf lukt. Wel omdat ik steeds opnieuw ervaar dat beweging ruimte maakt voor nieuwe beweging.
De volgende ochtend kwam er alweer een andere gedachte.
Waarom eigenlijk alleen een buurtkrant?
Misschien moet ik eens onderzoeken hoe het is om columns te schrijven voor een landelijke krant.
Ik weet niet of dat ooit gebeurt. Ik weet niet eens of dát de volgende stap is, maar ik heb geleerd zulke gedachten niet meer meteen weg te redeneren. Ik loop er een stukje mee op. Sommige verdwijnen vanzelf. Andere blijven terugkomen. En juist die blijken achteraf vaak iets te vertellen.
Steeds vaker voelt het voor mij alsof je het leven niet kunt najagen. Je kunt het alleen ontmoeten.
Ik denk dat het ook de reden is dat mensen mij zelden bellen met de vraag waarmee ze denken dat ze bellen.
Ze beginnen vaak over een gebouw, een organisatie, een team of een samenwerking die vastloopt. En ergens tijdens het gesprek verschuift er iets. Niet omdat ik het gesprek die kant op stuur, maar omdat onder bijna iedere zakelijke vraag uiteindelijk een menselijke vraag blijkt te liggen.
Soms zit er iets vast in een organisatie.
Veel vaker zit er iets vast in de mens die tegenover me zit.
Een verlangen waar nog geen woorden voor zijn.
Een intuïtie die al langer fluistert dat er iets niet klopt.
Of juist het stille besef dat er iets nieuws wil ontstaan.
Dat zijn de gesprekken waar ik van houd.
Ik ben steeds minder nieuwsgierig naar wat iemand doet.
En steeds nieuwsgieriger naar wie iemand is.
Wie mijn eerdere artikelen heeft gelezen, weet dat ik vaker over hem heb geschreven. Ik noem hem de liefde van mijn leven, ook al hebben wij nooit een liefdesrelatie gehad. Misschien klinkt dat tegenstrijdig, maar voor mij is liefde altijd groter geweest dan de vorm waarin zij wordt gegoten. Sommige ontmoetingen laten zich nu eenmaal moeilijk definiëren. Ze raken iets in je waarvan je niet eens wist dat het op je zat te wachten en kunnen uiteindelijk veel groter blijken dan de zichtbare plek die iemand in je leven inneemt. Niet omdat die ander je een ander mens maakt, maar omdat hij je herinnert aan degene die je altijd al was.
Dat is misschien wel het grootste cadeau dat hij mij heeft gegeven.
Hij zag iets in mij lang voordat ik het zelf volledig durfde te zien. Niet alleen de delen waar ik trots op was, maar ook de stukken die ik jarenlang zorgvuldig verborgen had gehouden. Het lichte én het donkere. Het moedige én het bange. Het serieuze en het speelse. Het brave en het ondeugende. Alles mocht er zijn. En ergens gebeurde precies hetzelfde de andere kant op. Ik zag iets in hem wat, ondanks alles wat er soms aan de oppervlakte gebeurde, voor mijn gevoel nooit verdwenen is. Dat vond ik lange tijd verwarrend.
Wat er tussen ons precies was of is, heb ik nooit goed kunnen definiëren. In moderne relatietermen zouden we het waarschijnlijk ‘no label’ noemen, al wordt die term meestal voor romantische relaties gebruikt en geloof ik dat ook een vriendschap soms ergens buiten de bestaande hokjes kan leven. Voor wat ik van onze omgang met elkaar verwachtte, maakte die definitie eigenlijk weinig verschil. Woorden hebben voor mij betekenis. Als je zegt dat je belt, verwacht ik niet dat je mijn geliefde bent. Ik verwacht alleen dat je belt.
En precies daar ontstond mijn verwarring. Hoe kon ik zo'n diepe verbinding en zo'n fundamenteel vertrouwen blijven voelen, terwijl zijn gedrag daar lang niet altijd mee overeen leek te komen? Beloften die in de lucht bleven hangen. Woorden als ‘ik bel je snel’ of ‘spreek je snel weer’, die in de praktijk vaker weken, soms maanden stilte betekenden. Afspraken die werden afgezegd of vermeden, altijd met een verklaring die op zichzelf best logisch klonk. En toch voelde ik steeds dat woorden en daden niet hetzelfde verhaal vertelden. Niet omdat ik wist wat zijn waarheid was, maar omdat ik steeds scherper begon te voelen dat ook stilte een taal spreekt.
Pas veel later begon ik te begrijpen dat gedrag en essentie niet hetzelfde zijn. Dat inzicht veranderde niet alleen de manier waarop ik naar hem keek, maar uiteindelijk ook de manier waarop ik naar mensen in het algemeen ben gaan kijken. Achter veel van ons gedrag schuilt angst. Angst om afgewezen te worden. Angst om volledig gezien te worden. Angst om opnieuw gekwetst te worden. Onze essentie spreekt een andere taal. Die kent geen angst, maar liefde. Niet als gevoel, maar als een manier van zijn. Een plek in onszelf waar we niets meer hoeven te bewijzen of te verdedigen en waar we onszelf niet langer hoeven te verbergen.
Misschien is dat wel wat liefde uiteindelijk doet wanneer zij volwassen wordt. Ze kijkt niet weg van gedrag, maar ze verwart het er ook niet mee. Ze ziet de angst zonder de mens kwijt te raken. Ze ziet de bescherming zonder de kwetsbaarheid daaronder uit het oog te verliezen. Niet om de ander te redden of te veranderen, maar omdat werkelijk zien iets anders is dan oordelen.
Juist daarin lag voor mij ook de moeilijkste les.
Ik had lang gedacht dat liefde betekende dat je je hart openhoudt, dat je nieuwsgierig blijft, dat je de ander ruimte geeft en blijft vertrouwen op wat je onder de oppervlakte voelt. Dat geloof ik nog steeds. Alleen ontdekte ik gaandeweg dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen je hart openhouden en jezelf langzaam verlaten.
Dat onderscheid had ik jarenlang niet gezien.
Ik merkte dat ik steeds beter wist waar de ander stond dan waar ik zelf stond. Dat ik feilloos kon aanvoelen wat iemand nodig had, terwijl ik mijn eigen verlangen steeds verder naar achteren schoof. Niet omdat iemand mij daarom vroeg. Dat deed ik helemaal zelf. Uit liefde. Uit loyaliteit. Misschien ook uit gewoonte.
Tot ik ineens begreep dat onvoorwaardelijke liefde niet hetzelfde is als grenzeloze liefde.
Op dit moment betekent dat voor mij dat ik ben gestopt met proberen. Niet omdat ik hem niet meer wil spreken en ook niet omdat mijn liefde verdwenen is. Misschien juist omdat ik hem wél zou willen spreken. Echt spreken. Niet in een telefoongesprek van twintig minuten tijdens een autoritje van A naar B, waarin we praten over wat er zoal gebeurt, maar in een echt gesprek in persoon, met tijd en ruimte voor alles wat tussen ons al zo lang onuitgesproken is gebleven.
Alleen kan ik zo'n gesprek niet alleen tot stand brengen. Ik heb geprobeerd ruimte daarvoor te vinden en ben op een gegeven moment gestopt met trekken. Dat besef deed verdriet. Veel meer dan ik had verwacht. Het waren ook die tranen die die donderdagavond kwamen, toen ik eindelijk onder ogen durfde te zien dat ik niet langer wilde blijven bewegen in een dynamiek waarin een moment van nabijheid mijn verlangen opnieuw wakker maakte en de stilte daarna mij weer uit mijn eigen bedding trok.
Ik heb hem nooit gezegd dat ik nu voor stilte kies. Misschien omdat stilte nooit mijn bedoeling was. Ik ben niet van verdwijnen zonder iets te zeggen. Maar sommige gesprekken passen ook niet in twintig minuten aan de telefoon, en zolang de ruimte voor een werkelijk gesprek er niet is, ben ik gestopt met proberen die ruimte alleen te creëren.
De stilte van nu hoeft voor mij geen stilte voor altijd te zijn. Ik zou dat open gesprek nog altijd graag voeren. Misschien kan van daaruit een andere vorm van contact ontstaan, met meer helderheid en wederkerigheid, waarin nabijheid niet langer ten koste gaat van mijn innerlijke rust. Tot die tijd geeft de stilte die er nu is mij meer rust dan de vorm van contact die er was. Niet omdat ik mijn hart heb gesloten, maar omdat ik probeer het open te houden zonder mezelf daarin opnieuw te verliezen.
En ineens zag ik dat ik dit eigenlijk al langer aan het leren was in de relatie met mijn moeder.
Niet door minder lief te hebben.
Wel door meer ruimte te laten.
Toen zij drie jaar geleden definitief terugging naar Indonesië, ontstond er letterlijk afstand tussen ons. Jarenlang had ik gedacht dat afstand en nabijheid elkaars tegenpolen waren. Nu ontdekte ik het tegenovergestelde. Juist doordat er ruimte kwam, kon ik haar beter liefhebben én mezelf beter horen. Alsof ik voor het eerst niet voortdurend hoefde af te stemmen op een ander, maar langzaam mocht ontdekken wat er eigenlijk in mijzelf leefde.
En misschien is dat wel de grootste verrassing van de afgelopen jaren geweest.
Nu ik steviger op mijn eigen plek ben gaan staan, merk ik dat ik ook mijn kinderen meer ruimte kan geven. Niet omdat ik minder betrokken ben, maar juist omdat ik niet meer voortdurend naast ze hoef te lopen. Mijn taak is niet hun rivier te bepalen. Alleen de oevers langzaam te verleggen terwijl zij groter worden, zodat zij hun eigen weg kunnen vinden in de wetenschap dat, wanneer ze ooit achterom kijken, ik er nog steeds ben.
Dat is misschien wat een veilige oever uiteindelijk is.
Niet iemand die je vasthoudt.
Niet iemand die je loslaat.
Maar iemand die blijft staan.
Waarom ik dit allemaal deel.
Waarom ik op LinkedIn schrijf over liefde, over mijn kinderen, over ondernemerschap, over een paard dat mij iets liet zien of over een gesprek dat me dagen later nog bezighoudt.
Langzaam zag ik dat ik daar zelf steeds minder een onderscheid tussen zie.
Hoe langer ik onderweg ben, hoe meer ik ontdek dat ik uiteindelijk maar één leven heb. De manier waarop ik liefheb, moeder ben, leiding geef, schrijf, een onderneming bouw of tegenover iemand aan tafel zit, komt allemaal uit dezelfde bron. Ik kan niet de ene Sheila meenemen naar een gesprek met een opdrachtgever en een andere Sheila naar huis. Tenminste... ik heb het jarenlang geprobeerd, maar het kostte me vooral heel veel energie.
Steeds vaker voelt het alsof mijn werk niet begint wanneer ik mijn laptop openklap of een vergadering binnenloop. Het begint veel eerder. In de manier waarop ik luister. In de manier waarop ik liefheb. In de manier waarop ik met teleurstelling omga, grenzen leer stellen, mijn kinderen steeds meer ruimte geef of mezelf de tijd gun om een volgende stap nog even niet te hoeven kennen.
Misschien oefen ik daar wel iedere dag opnieuw in.
Niet om een betere ondernemer te worden.
Maar om steeds iets meer mezelf te zijn.
En ergens bekruipt me de laatste tijd steeds vaker het gevoel dat juist daar iets bijzonders gebeurt. Alsof het leven, zodra je langzaam thuiskomt bij jezelf, ook een nieuwe vraag begint te stellen. Niet meer de vraag wie je bent, maar waarvoor je hier eigenlijk bent. Alsof identiteit en roeping geen twee losse dingen zijn, maar elkaars natuurlijke vervolg.
Daar wil ik je een volgende keer graag in meenemen.
Voor nu is dit mijn antwoord op de vraag van mijn vriendinnen ‘Waarom ik dit allemaal deel’:
Omdat ik hoop dat iemand zich tijdens het lezen heel even niet alleen voelt.
Of misschien…zich gewoon iets herinnert.
Blijf in beweging. Wil je regelmatig een dosis zachte scherpte en reflecties in je mailbox ontvangen? Schrijf je in voor mijn Liefdesbrieven en blijf verbonden met de magie in jou.