Een clubhuis is geen gebouw

Over gemeenschap, in elkaars tuintje harken en waarom de manier waarop we samenwerken onderdeel is van wat we uiteindelijk maken.

Vector 2
IMG 2755

Vlak voordat ik op vakantie ging, schreef ik hier over een experiment dat we met een aantal mensen zijn begonnen.

De aanleiding is de herontwikkeling van het clubhuis van hockeyclub Klein Zwitserland. Maar eigenlijk zijn we minstens zo nieuwsgierig naar iets anders: kunnen we ook op een andere manier samenwerken?

Niet vanuit één organisatie, een bestaande structuur of een vooraf vastgelegd team. Maar met verschillende mensen en disciplines die elkaar vinden rondom een vraagstuk en samen onderzoeken wat ze daaraan kunnen toevoegen.

We hebben besloten vooral niet te lang over die nieuwe manier van samenwerken te praten, maar haar gewoon eens te gaan dóén.

Klein Zwitserland is onze testcase.

Inmiddels zijn we een zomervakantie, een heleboel broodkruimels en behoorlijk wat gedachten verder. En terwijl ik onderweg tijdens de vakantie vooral schreef over wat er ontstond als ik even wat minder hard zocht, bleef deze draad ondertussen gewoon liggen.

Of misschien beter gezegd: hij bleef liggen zonder stil te staan.

Want bij thuiskomst bleek ons team één van de partijen te zijn die daadwerkelijk mag meedingen naar de opdracht voor KZ.

Tijd dus om de draad weer op te pakken.

En misschien wel letterlijk terug te gaan naar de plek waar ik hem vóór de zomervakantie even had neergelegd.

Op een zomeravond bij Klein Zwitserland.

We gingen daar met een deel van onze groep naartoe.

Niet om te vergaderen. Niet om meteen oplossingen te bedenken. En al helemaal niet om alvast een nieuw clubhuis te ontwerpen.

We wilden eerst kijken, luisteren, voelen. Begrijpen wat voor plek dit eigenlijk is, voordat we onszelf de vraag stellen wat die plek in de toekomst zou kunnen worden.

Het was midden in de zomer en de club was grotendeels dicht. We zagen KZ dus niet eens zoals het gedurende het seizoen werkelijk leeft. Toch werd er die avond getraind. Niet alleen door leden, maar juist ook door mensen die er normaal niet hockeyen.

De deur stond als het ware een stukje verder open.

Ik moest denken aan de jongste kinderen van de club. De Hokkiebokkies en hoe het voor mijn dochter begon in het team met de naam Edelweisjes. Daar leren kinderen niet alleen hockeyen. Ze leren dat het spel belangrijker is dan winnen. En op wonderbaarlijke wijze weet die felbegeerde gouden hockeystick uiteindelijk bij ieder team een keer terecht te komen.

Kleine dingen misschien.

Maar juist die kleine dingen vertellen iets over wie je als gemeenschap bent.

Eerst de gemeenschap, dan het gebouw

Klein Zwitserland staat aan de vooravond van de herontwikkeling van het clubhuis. Een fysieke opgave, zou je kunnen zeggen.

Maar hoe langer ik ermee bezig ben, hoe minder ik geloof dat dit in de eerste plaats een vastgoedopgave is.

Een clubhuis is namelijk geen gebouw. Het is de fysieke uitdrukking van een gemeenschap.

En dus begint de vraag wat mij betreft niet bij vierkante meters, materiaal, routing of architectuur.

De vraag begint bij mensen.

Wie zijn wij? Wie willen we zijn? Wat gebeurt hier nu al wat we willen koesteren? Wie voelt zich hier thuis en wie misschien nog niet? Welke rol speelt deze plek in het leven van leden, ouders, kinderen, vrijwilligers en de buurt? En welke rol zou zij in de toekomst kunnen spelen voor mensen die helemaal geen lid zijn?

Zelfs de naam Klein Zwitserland zette mijn hoofd deze zomervakantie aan het werk.

De club ontstond uit TOGO en HYS. Twee clubs die samen verder gingen. Mijn hoofd maakte onmiddellijk de associatie met Zwitserland als neutraal terrein.

Niet de ene club die bij de andere intrekt, maar samen een nieuw huis betrekken.

Van niemand en daardoor juist van iedereen.

Wat als je ook zo naar het nieuwe clubhuis zou kijken?

Niet alleen als het huis van een hockeyclub, maar als een plek waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Waar je welkom bent ongeacht leeftijd, achtergrond, kleur, geaardheid of zelfs lidmaatschap.

Maar als verbinding is wat je uiteindelijk wilt creëren, ontstaat er voor mij een interessante vraag:

Kun je een plek ontwerpen die verbinding moet faciliteren met een proces dat zelf uit losse silo's bestaat?

Ik denk steeds meer van niet.

Visual met tekst (1)

In elkaars tuintje harken

Dat brengt me terug naar mijn tijd bij Schiphol Real Estate.

Ik werkte daar in een managementteam waarin iedereen zijn eigen expertise en verantwoordelijkheid had. Maar onze directeur verlangde iets anders van ons dan alleen goed zorgen voor ons eigen stukje.

Als je aan tafel zat, moest je er ook werkelijk zijn.

Niet alleen luisteren wanneer het onderwerp toevallig binnen jouw portefeuille viel. Je werd geacht mee te denken, vragen te stellen en waardevolle input te leveren, ook wanneer iets formeel helemaal niet van jou was.

Wij noemden dat:

in elkaars tuintje harken.

Niet omdat we dachten het werk van de ander beter te kunnen, maar omdat iemand die vanuit een ander perspectief kijkt soms iets ziet wat jij vanuit je eigen expertise niet meer ziet.

Soms waren we het hartgrondig oneens. En dan begon juist het echte gesprek.

Waarom zie jij iets anders dan ik? Wat zie jij wat ik niet zie? Welke aanname van mij klopt misschien niet?

Het doel was niet zo snel mogelijk consensus bereiken, maar samen tot iets beters komen dan ieder van ons afzonderlijk had kunnen bedenken.

We leerden elkaars kracht kennen, maar ook elkaars schaduw. We maakten fouten, lachten veel en keken naar elkaar om wanneer het werk ingewikkeld werd, maar ook wanneer het leven thuis dat was.

Collega's werden mensen. Mensen werden vrienden.

Toen één van ons vertrok, maakten we een appgroep met als tegeltje:

Succes met betere collega's vinden dan wij.

Bescheidenheid was misschien niet onze grootste collectieve kwaliteit 😉

Die groep bestaat nog steeds.

We werken allang niet meer samen en onze gesprekken gaan nauwelijks nog over Schiphol. Ze gaan over wie we inmiddels zijn. Over werk, ondernemerschap, relaties, vaderschap, moederschap, twijfel, keuzes en het leven.

Achteraf denk ik dat ik daar iets heb ervaren wat ik nu opnieuw probeer te creëren.

Niet dezelfde structuur.

Wel dezelfde onderstroom.

Je verantwoordelijk voelen voor meer dan jouw stukje

Vlak voor mijn vakantie kreeg ik vanuit KZ bericht. De concept planning van de uitvraag was bekend. De kans bestond dat die precies tijdens mijn vakantie zou komen, waarna we ongeveer drie weken zouden hebben om met een visie te reageren.

Niet ideaal.

Zeker niet omdat ik binnen de groep voorlopig degene ben die de verschillende mensen en disciplines met elkaar verbindt. De spin in het web.

Ik gooide het bericht in onze groepsapp.

Ik vroeg niemand iets.

En vrijwel meteen reageerde iemand uit het team:

"Ik ben net vandaag terug van vakantie. Hoor graag wat ik hierin kan betekenen."

Een klein bericht.

Maar voor mij zei het alles.

Dit is elkaar dragen.

Niet omdat iedereen verantwoordelijk is voor alles. Ieder van ons draagt zijn eigen stukje en brengt een eigen expertise mee. Maar je kunt je wél verantwoordelijk voelen voor het geheel.

Niet: dit is mijn stukje en daar houd ik me aan.

Maar: ik zie dat het geheel iets nodig heeft. Wat kan ik doen?

Misschien is dát wel het moment waarop een verzameling mensen langzaam een gemeenschap wordt.

De Mary Poppins-tas

Daar zit voor mij persoonlijk nog een andere les in.

Want elkaar dragen werkt alleen wanneer iemand zich ook láát dragen.

En ik ontdek dat dat misschien nog wel moeilijker is.

Ik ben gewend initiatief te nemen. Vooruit te denken. Mensen te verbinden. Dingen in beweging te brengen. Te zien wat er straks misschien nodig is en daar alvast op te anticiperen.

Ik heb niet voor niets zo'n Mary Poppins-tas waar ik op ieder gewenst moment de meest uiteenlopende dingen uit tevoorschijn kan toveren.

Voor mezelf, maar eerlijk gezegd ook nogal eens voor een ander. 🙄

Voor het geval dat.

Heel handig.

Totdat je beseft dat er misschien ook een patroon in die tas zit.

Want als ik altijd aankom met een tas vol oplossingen, reserves en spullen voor iedereen, geef ik anderen ook minder ruimte om iets te dragen.

Misschien hoeft mijn tas dus niet leeg, maar hij mag wel wat kleiner.

Met in de eerste plaats mijn eigen spullen. En misschien bewust iets van een ander, omdat ik er op dat moment voor kies dat stukje even mee te dragen.

Niet automatisch. Niet voor de zekerheid. Niet omdat ik bang ben dat het anders blijft liggen.

Elkaar dragen vraagt dus ook dat je kunt onderscheiden wat van jou is, wat van de ander is en wat van het geheel is.

En blijkbaar vond mijn onderbewuste dat ik deze les nog niet helemaal begrepen had.

Kies vooral je eigen kopje

Al drie nachten achter elkaar droom ik over diezelfde oud-directeur van Schiphol Real Estate.

In één van die dromen stormt hij mijn winkel binnen, omdat hij daar een call wil doen.

En onmiddellijk doe ik wat ik blijkbaar uitstekend kan.

Ik maak ruimte voor hem. Installeer hem en zijn laptop aan tafel. Ruim wat spullen op. Bedenk dat hij vast koffie wil en begin zelfs alvast een kopje voor hem uit te zoeken.

Tot hij me aankijkt en vraagt:

“Maar mag ik eigenlijk niet mijn eigen kopje kiezen hier?”

Eh.

Jawel natuurlijk 😂

En het wordt nog grappiger.

Bij mijn afscheid van Schiphol gaf ik tijdens mijn afscheidsdiner iedereen een koffiekopje met een persoonlijke tekst erop. Op dat van hem stond OLD FART. Een liefdevolle verwijzing naar zijn soms wat ouderwetse stijl én zijn voorliefde voor klassieke Engelse kleding, liefst met ruitjes en tweed.

Blijkbaar vond mijn onderbewuste dat ik zelfs jaren later nog iets te zeggen had over welk kopje deze volwassen man moest gebruiken 😂

In de droom kiest hij vervolgens zijn eigen kopje, loopt naar het koffieapparaat en zet gewoon zelf zijn koffie.

Soms heb je geen ingewikkelde droomanalyse nodig.

Mijn onderbewuste had blijkbaar een tamelijk eenvoudige boodschap voor me:

Volwassen mensen kunnen hun eigen kopje kiezen.

Misschien hoef ik dus niet minder zorgzaam te worden. Misschien zit de beweging ergens anders.

Van overnemen naar ruimte geven.

Van organiseren vóór een ander naar vertrouwen óp een ander.

Gastvrijheid is iets anders dan oververantwoordelijkheid.

Ik mag de tafel dekken. Mensen uitnodigen. De omstandigheden creëren waarin iets kan ontstaan.

Maar ik hoef niet te bepalen wie welk kopje pakt.

Sterker nog: als ik dat blijf doen, ontneem ik anderen misschien precies de ruimte die nodig is om zelf verantwoordelijkheid te nemen.

En soms komen mensen zelf terug

Er gebeurde nog iets in die droom.

Terwijl mijn oud-directeur binnen inmiddels prima in staat bleek zijn eigen koffie te zetten, zag ik buiten een bekende voorbij rennen.

Hij zwaaide. Gaf me van een afstand een luchtkus en rende door.

Even later draaide hij om.

Uit zichzelf.

Hij liep terug, opende zelf de deur van mijn winkel, gaf me een kus op mijn wang en vervolgde zijn weg.

Ik hoefde niets te doen.

Ook daar moest ik de volgende ochtend om lachen.

Want misschien oefen ik op dit moment niet alleen met minder dragen.

Misschien oefen ik ook met minder trekken.

Dat is nogal wat voor iemand die haar hele werkende leven gewend is geweest dat resultaat ongeveer zo werkt:

ik doe iets → ik krijg ervoor betaald.

En laat ik vooral niet doen alsof ik inmiddels verlicht op een berg zit.

Mijn financiële werkelijkheid is bij thuiskomst na de vakantie niet ineens veranderd. Ik heb ongeveer 2,5 maand financiële ruimte en uiteindelijk moeten er gewoon inkomsten komen.

Maar er is wél iets anders veranderd.

Er komt beweging.

Alleen niet altijd in de vorm waarin ik had bedacht dat ze moest komen.

Overvloed ziet er soms anders uit

Ik begin te ontdekken dat overvloed niet alleen cash in betekent.

Soms is het ook minder cash out.

Ik wilde bijvoorbeeld al een tijdje de uren van mijn schoonmaakster terugbrengen van zes naar drie. Maar zij is ook afhankelijk van haar inkomen en dat maakte dat ik daar eerder mee worstelde.

Tot mijn buurvrouw iemand zocht.

Nu werkt ze drie uur bij mij en drie uur bij mijn buurvrouw. Mijn kosten dalen, haar inkomen niet.

Niemand hoeft gered te worden.

Het systeem herschikt zich.

Soms ziet overvloed eruit als iemand die met je meedenkt en zegt: "we zien wel hoe het loopt. Ik weet dat het goedkomt met jou. Je hoeft nu nog niet te betalen. Misschien komt het ooit wel op een andere manier bij me terug."

Of mijn vriendin en interieurarchitect Inge die op haar ligbedje aan het zwembad nadenkt over mijn laatste vakantiepost en mijn zorgen en mij een gedachtenspinsel stuurt over hoe wij elkaar misschien kunnen helpen en versterken.

En soms is het mijn lieve vriendin en fotografe Laura die na het lezen van mijn verhaal bij me incheckt om te vragen hoe het met me gaat. Ik vertel haar eerlijk hoe het is en zij antwoordt dat ze me na haar vakantie heel graag een fotoshoot cadeau wil doen.

Eentje echt van en voor mij.

En met mijn kinderen voor mij.

Daar schoot ik van vol.

Niet alleen omdat het zo'n lief aanbod is, maar misschien ook omdat ontvangen zonder dat je er onmiddellijk iets tegenover kunt of hoeft te zetten óók kwetsbaarheid vraagt.

En soms komt iets wat ogenschijnlijk stilgevallen was ineens weer in beweging.

Deze week hoorde ik dat ons team één van de partijen is die mag meedingen naar de ontwerpopdracht voor het nieuwe clubhuis van KZ.

En na lange stilte verscheen ineens een uitgebreide mail uit Argentinië van Maria Magdalena over wie ik eerder schreef. Ze leest mijn Liefdesbrieven met veel plezier, blijkt te hebben nagedacht over hoe wij voor elkaar van betekenis zouden kunnen zijn en doet een voorstel.

Niets daarvan geeft mij zekerheid.

Er is nog steeds geen garantie op een opdracht of inkomen.

Maar het laat me wel iets zien:

Niet alles wat stilvalt, is verdwenen. En niet alles wat naar je toe komt, komt in de vorm waarin je het had bedacht.

Misschien is vertrouwen dus niet geloven dat alles goedkomt.

Misschien is vertrouwen blijven handelen zonder te eisen dat je vooraf weet hoe het goed moet komen.

De winkel openen.

Iets in de etalage durven zetten.

De tafel neerzetten.

En dan verdragen dat je niet iedere voorbijganger naar binnen hoeft te trekken.

Wie wil binnenkomen, weet waar de deur zit.

Two people who decide to grow together

Simon Sinek omschrijft een relatie als:

“Two people who decide to grow together.”

Ik vind dat een prachtige definitie. En voor mij geldt ze allang niet meer alleen voor romantische relaties.

Een vriendschap kan zo'n relatie zijn. Een team. Een werkrelatie. Een samenwerking. Misschien zelfs een gemeenschap.

Samen groeien vraagt openheid, eerlijkheid, waarheid en de kwetsbaarheid om te kunnen zeggen dat je iets niet weet of verkeerd hebt gezien.

Maar kwetsbaarheid vraagt veiligheid.

En veiligheid ontstaat niet doordat we zeggen dat iets veilig is.

Ze ontstaat door wat we vervolgens, keer op keer, dóén.

Door consistentie. De daad bij het woord voegen. Verantwoordelijkheid nemen voor je eigen aandeel. Integer handelen. Betrouwbaar zijn, juist wanneer het ongemakkelijk wordt.

Daaruit kan vertrouwen ontstaan.

En vanuit vertrouwen verbinding.

En vanuit die verbinding kan volgens mij ook iets anders ontstaan: communicatie die daadwerkelijk kan worden ontvangen.

Ook wanneer die boodschap niet prettig is.

Ik schreef onlangs onder een LinkedIn bericht over feedback dat het voor mij begint bij nieuwsgierigheid naar elkaar. Vanuit nieuwsgierigheid ontstaat begrip, vanuit begrip vertrouwen, vanuit vertrouwen verbinding.

Noem het alignment. Resonantie. Op elkaar afgestemd zijn.

Niet omdat je hetzelfde denkt.

Maar omdat verschil de verbinding niet onmiddellijk bedreigt.

Ik heb de afgelopen jaren, soms door schade en schande, ontdekt dat ik dat in iedere betekenisvolle relatie nodig heb.

Dus ook in mijn werk.

Een ecosysteem in plaats van een projectteam

Misschien is dat waarom ik voor Klein Zwitserland niet ben begonnen met een traditioneel projectteam.

Ik ben mensen gaan verzamelen.

Architectuur. Interieur. Conceptontwikkeling. Identiteit. Branding. Communicatie.

Niet alleen omdat ik hun expertise goed vind, maar vooral omdat ik iets herken in hoe ze naar de wereld kijken.

Allemaal een tikje onconventioneel. Buiten de gebaande paden. Open, nieuwsgierig, soms rebels. Met een intrinsiek gevoel dat dingen anders kunnen en misschien ook anders móéten.

Mensen die bereid zijn naar hun eigen aandeel te kijken. Die niet bij ieder gesprek eerst hun territorium hoeven af te bakenen.

Weinig ego. Veel nieuwsgierigheid.

Ontdekkers.

Mensen die kunnen geven én ontvangen.

We zijn niet bij elkaar in dienst. Er is geen organogram dat vertelt wie boven of onder wie staat. En bij een volgend vraagstuk zitten er misschien deels andere mensen aan tafel.

Toch investeren we allemaal onze tijd, aandacht en expertise.

Omdat we samen willen ontdekken of het anders kan.

KZ is daarin onze eerste testcase.

752d07aa d757 49bd 8b10 ad9a29b5d401

Cureren aan de poort

Ik begin steeds meer te geloven in wat ik situationele ecosystemen noem.

Niet voor ieder vraagstuk automatisch dezelfde mensen aan tafel omdat ze nu eenmaal in hetzelfde bedrijf, team of raamcontract zitten.

Het vraagstuk bepaalt welke expertise en perspectieven nodig zijn.

De samenstelling mag veranderen.

Wat blijft, is de basis waarop mensen zich met elkaar verbinden.

Eigenlijk lijkt zo'n ecosysteem daarin behoorlijk op een organisatie. Alleen zonder de vaste structuur en samenstelling.

Want ook een organisatie cureert aan de poort.

We noemen het alleen werving en selectie.

En daar vind ik iets interessants gebeuren.

De afgelopen maanden heb ik zelf een paar keer ervaren hoe merkwaardig onze traditionele selectie soms werkt.

Voor een toezichthoudende rol sloot mijn profiel op vrijwel alle gevraagde onderdelen aan. Toch werd ik bij de poort van het executive search bureau uiteindelijk afgewezen op het ontbreken van ervaring als CFO. Een vereiste die niet eens in het gevraagde profiel stond.

Een paar maanden later werd ik door een ander bureau juíst benaderd voor een CFO rol. Eén blik op mijn LinkedIn profiel had duidelijk gemaakt dat die niet bij mijn ambitie past én dat ik inmiddels ondernemer ben en helemaal niet op zoek ben naar een baan in loondienst.

Twee totaal verschillende situaties die bij mij dezelfde vraag opriepen:

Hoe goed kijken we eigenlijk nog naar de mens die voor ons staat?

Zeker in mijn eigen vastgoedwereld zie ik dat selectie vaak begint bij wat iemand kan.

Opleiding. Functies. Jaren ervaring. Transacties. Omvang van portefeuilles. Technische of financiële kennis.

Allemaal relevant.

Maar veel minder zichtbaar op een CV zijn misschien wel de eigenschappen die uiteindelijk bepalen wat iemand aan een team toevoegt.

Hoe reageert iemand wanneer een ander een beter idee heeft? Kan iemand werkelijk luisteren? Nieuwsgierig blijven bij verschil? Verantwoordelijkheid nemen voor iets wat formeel niet van hem of haar is? Een fout toegeven? Een ander laten schitteren? Hulp vragen?

En misschien minstens zo belangrijk:

Kan iemand ontvangen?

Wat iemand kan is belangrijk. Maar wie wordt iemand zodra hij of zij met anderen moet samenwerken?

Gelukkig zie ik ook mensen en executive search bureaus die het anders doen. Die niet alleen kandidaten selecteren, maar net zo kritisch naar hun opdrachtgevers kijken. Die liever de juiste samenwerking aangaan dan simpelweg een opdracht aannemen, omdat eraan te verdienen valt.

Ook dat is cureren aan de poort.

Niet alleen vragen:

Kan deze persoon het?

Maar ook:

Hoe werkt deze persoon samen?

Hoe staat deze persoon in het leven?

Wat gebeurt er wanneer iemand wordt tegengesproken?

Kan iemand zijn expertise stevig inbrengen én haar loslaten wanneer een ander perspectief het geheel beter maakt?

Want expertise kun je toevoegen en ontwikkelen.

Een grondhouding veel minder makkelijk.

Gedeelde waarden, verschillende perspectieven

Cureren op grondhouding betekent nadrukkelijk niet dat ik alleen gelijkgestemden om me heen wil verzamelen.

Integendeel.

Gedeelde waarden. Verschillende perspectieven.

Anders wordt het in elkaars tuintje harken een tamelijk zinloze bezigheid.

En misschien moeten we überhaupt af van het idee dat verschil betekent dat we moeten kiezen tussen twee tegengestelde polen.

Ik zag onlangs een uitleg over yin en yang die bij me bleef hangen.

We gebruiken het symbool vaak alsof het gaat over het vinden van balans tussen twee tegengestelde toestanden. Een beetje yin, een beetje yang en dan liefst precies genoeg van allebei.

Maar de oorspronkelijke gedachte is veel dynamischer.

Yin en yang bestaan bij de gratie van elkaar en bewegen voortdurend in elkaar over.

Een mens is niet yin of yang.

Een mens beweegt.

Misschien geldt dat ook voor gezonde organisaties en samenwerkingen.

Niet:

Menselijkheid óf resultaat.

Vrijheid óf structuur.

Autonomie óf verantwoordelijkheid.

Flexibiliteit óf stabiliteit.

Maar:

Wat vraagt deze situatie nu van ons en kunnen we samen bewegen naar wat op dit moment nodig is?

Onlangs kwam ook het gedachtegoed van Robert Quinn een paar keer kort na elkaar op mijn pad. Ik moet me er nog verder in verdiepen, maar het Competing Values Framework van Cameron en Quinn raakte onmiddellijk aan iets waar ik zelf steeds meer in geloof: organisaties moeten verschillende, soms concurrerende waarden tegelijkertijd kunnen dragen.

Niet de spanning proberen weg te organiseren.

Maar leren erin te bewegen.

Misschien zit volwassen samenwerken wel precies dáár.

Soms leid je. Soms volg je.

Soms geef je. Soms ontvang je.

Soms hark je in de tuin van een ander.

En soms moet je verdragen dat iemand met zijn hark in die van jou staat 😉

Nothing is so broken that it can't be fixed

Soms kijk ik naar de manier waarop we organisaties, projecten en samenwerkingen hebben ingericht en denk ik: er is behoorlijk wat stuk.

We hebben processen gebouwd om risico's te beheersen, verantwoordelijkheden af te bakenen en mensen te controleren. En soms organiseren we daarmee precies datgene weg wat we zeggen te willen:

Eigenaarschap.

Creativiteit.

Vertrouwen.

Verbinding.

Maar ik geloof ook:

"Nothing is so broken that it can't be fixed"

Alleen denk ik steeds minder dat we het repareren door nóg een proces, structuur of model toe te voegen.

Misschien begint het veel eerder.

Bij de mensen die we binnenlaten.

Bij de grondhouding waarop we elkaar vinden.

Bij de ruimte die we elkaar geven om in elkaars tuin te harken.

Bij de bereidheid iets te dragen dat formeel niet van ons is.

Bij het vertrouwen dat volwassen mensen hun eigen kopje kunnen kiezen.

En bij de moed om onszelf soms ook te laten dragen.

De manier waarop we samenwerken ís onderdeel van wat we maken

En daarmee kom ik weer terug bij Klein Zwitserland.

Misschien is dat uiteindelijk wat we daar aan het onderzoeken zijn.

Niet alleen hoe je een nieuw clubhuis maakt.

Maar wat er gebeurt wanneer je tussen een probleem en de oplossing eerst ruimte laat.

Om te kijken voordat je ontwerpt.

Te luisteren voordat je antwoordt.

De mensen voor wie je iets maakt niet alleen als doelgroep te zien, maar als onderdeel van de gemeenschap.

Verschillende disciplines niet na elkaar hun stukje te laten doen, maar vanaf het begin samen te laten kijken.

En elkaar onderweg te dragen wanneer dat nodig is.

Een architect ziet iets wat een merkstrateeg misschien niet ziet. Een interieurarchitect merkt iets anders op dan een conceptontwikkelaar. Een clublid ziet weer iets anders.

Een kind ook.

Geen van die perspectieven is het hele verhaal.

Maar samen kunnen ze iets zichtbaar maken wat niemand afzonderlijk had kunnen bedenken.

De manier waarop we samenwerken ís onderdeel van wat we uiteindelijk maken.

Een situationeel ecosysteem is voor mij daarom een tijdelijk samengestelde gemeenschap van mensen met verschillende expertises en perspectieven, verbonden door een gedeelde grondhouding en een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het geheel.

De expertise verandert met het vraagstuk. De grondhouding niet.

En misschien is dat uiteindelijk ook waarom die zomeravond bij KZ belangrijker was dan ik toen wist.

We gingen erheen om naar een clubhuis te kijken.

Maar misschien zijn we ondertussen iets anders aan het bouwen.

Niet alleen een visie op een gebouw, maar een manier van samenwerken waarin mensen mogen harken, dragen, ontvangen, verschillen, bewegen, leiden en volgen.

Als we willen dat het nieuwe clubhuis van Klein Zwitserland straks een plek wordt waar mensen zich verbonden voelen, lijkt het me eigenlijk niet meer dan logisch dat we beginnen met verbinding tussen de mensen die het helpen maken.

Want misschien begint een beloved community niet wanneer de deuren van een nieuw gebouw opengaan.

Misschien begint ze al bij de manier waarop we samen besluiten het te bouwen.

En voor wie zich hierin herkent: er is altijd plek voor een ander perspectief aan tafel.

Geloof. Hoop. Liefde.

"building beloved communities together"

🤍 It all starts with one conversation 🤍

Vector 1
Sheila Hicks 8

Klaar om de ruimte
op te zoeken?

Blijf in beweging. Wil je regelmatig een dosis zachte scherpte en reflecties in je mailbox ontvangen? Schrijf je in voor mijn Liefdesbrieven en blijf verbonden met de magie in jou.

Vector
Sheila Hicks 4