De kunst van vasthouden en loslaten

Over liefde, angst en de ruimte om te floreren.

Vector 2
DSC3156 copy

Mijn vader zei altijd: ‘Accepteer wat je niet kunt veranderen en verander wat je niet kunt accepteren.’

Het is zo'n uitspraak die je gemakkelijk onthoudt. Twee zinnen die samen een bijna vanzelfsprekende logica vormen. Totdat je op een punt in je leven komt waarop je niet meer zo goed weet wat je eigenlijk moet accepteren en wat je nog kunt veranderen.

Want hoe maak je dat onderscheid? Hoe weet je of je ergens aan moet blijven werken, of dat je vooral bezig bent iets in stand te houden wat niet meer goed voor je is? Wanneer is volhouden een teken van liefde en moed, en wanneer speelt angst voor wat er gebeurt als je loslaat een grotere rol? En wanneer betekent accepteren dat je vrede sluit met de werkelijkheid, terwijl er juist iets moet veranderen?

Ik draag die woorden mijn hele leven al met me mee, maar de afgelopen jaren ben ik ze pas echt gaan onderzoeken.

Mijn leven veranderde op verschillende fronten. Mijn huwelijk eindigde, mijn kinderen werden ouder, ik liet een vertrouwde professionele wereld achter me en begon als ondernemer aan iets waarvan ik de contouren wel zag, maar waarvan ik nog niet precies wist hoe het vorm zou krijgen.

En ergens onderweg ontdekte ik dat ik behoorlijk goed ben in vasthouden. Aan relaties. Aan verantwoordelijkheden. Aan verwachtingen. Aan het idee dat ik moet zorgen dat het goed gaat met de mensen om me heen.

Wanneer iemand verdrietig, boos of teleurgesteld is, begint er in mij vrijwel onmiddellijk iets te werken. Wat is er gebeurd? Hoe kan ik helpen? Wat kan ik zeggen om het weer goed te maken? Hoe krijgen we iedereen weer bij elkaar?

Ik kan goed luisteren, verbanden leggen, verschillende perspectieven begrijpen en mensen helpen om elkaar weer te vinden. Kwaliteiten die me zowel persoonlijk als professioneel veel brengen. Alleen ontdekte ik gaandeweg dat er een verschil bestaat tussen iemand willen helpen en je verantwoordelijk voelen voor hoe diegene zich voelt. Tussen betrokken zijn en het ongemak van een ander niet kunnen verdragen. En tussen iets doen omdat het werkelijk nodig is, of omdat je zelf moeite hebt met niets doen.

Dat laatste bleek voor mij een interessante ontdekking. Want wat gebeurt er wanneer je je handen stil houdt, terwijl je hart open blijft?

De veiligheid van bekende pijn

Vanochtend zat ik te schrijven, zoals ik vaker doe. Bij mijn gebruikelijke intentie voegde ik dit keer een vraag toe: Wat zouden kwetsbaarheid en moed vandaag willen zeggen?

Wat vervolgens op papier kwam, verraste me.

Ik dacht aan iemand die ik lief heb. Aan hoe beangstigend het kan zijn om je kwetsbaar op te stellen. Want zodra je werkelijk laat zien wat je voelt, geef je de ander ook de mogelijkheid om je pijn te doen. Je legt je hart op tafel, zonder te weten wat ermee gebeurt.

En als je eerder hebt ervaren hoe pijnlijk dat kan zijn, is het begrijpelijk dat je voorzichtig wordt. Dat je jezelf beschermt. Dat je een harnas aantrekt, zodat niet alles meer binnenkomt.

Zo'n harnas kan ontzettend nuttig zijn, zeker wanneer je het ooit nodig had om overeind te blijven. Alleen maakt een harnas geen onderscheid tussen wat je kwaad wil doen en wat je goed zou kunnen doen. Het houdt teleurstelling, afwijzing en verdriet op afstand, maar mogelijk ook liefde, vreugde en verbondenheid.

Brené Brown beschrijft in haar werk over kwetsbaarheid hoe we onszelf soms proberen te beschermen tegen pijnlijke gevoelens, terwijl we daarmee ook ons vermogen beperken om positieve gevoelens volledig toe te laten.

Ik begon me af te vragen waarom mensen soms blijven kiezen voor iets wat hun zichtbaar pijn doet, zelfs wanneer er een andere mogelijkheid lijkt te zijn. En toen kwam er een gedachte op die me niet meer losliet.

We kiezen niet altijd voor de weg van de minste pijn, maar soms voor de pijn die we het beste kennen.

Pijn die we al eerder hebben ervaren. Waarvan we weten hoe ze voelt. Waarvoor we manieren hebben ontwikkeld om ermee om te gaan. Die pijn is niet prettig, maar wel voorspelbaar. En voorspelbaarheid kan op veiligheid lijken.

In mijn vrije schrijven ontstond het beeld van iemand wiens innerlijke nulpunt langzaam is verschoven. Stel je voor dat je jarenlang leeft met een bepaalde hoeveelheid spanning of verdriet. Om ermee verder te kunnen, raak je eraan gewend. Je organiseert je leven eromheen, ontwikkelt manieren om ermee om te gaan en leert functioneren.

Op een gegeven moment kan die spanning zo vertrouwd worden dat je nauwelijks nog merkt hoeveel ruimte ze inneemt. Alsof de meter niet langer bij nul begint, maar standaard op vijftig staat. Je voelt vooral nog wanneer er iets bovenop komt, terwijl je niet eens meer goed weet hoe het is om zonder die voortdurende belasting te leven.

Het is een beeld, geen letterlijke beschrijving van hoe ons zenuwstelsel werkt. Maar het helpt me begrijpen hoe langdurige spanning ons gevoel voor wat normaal is kan verschuiven.

En dan verschijnt er iets nieuws. Een mogelijkheid om lief te hebben. Een andere manier van leven. Een kans om iets te ondernemen. Een relatie waarin je jezelf werkelijk zou kunnen laten zien. Iets wat je diep vanbinnen verlangt.

Maar het onbekende brengt ook het risico mee van pijn die je nog niet kent. Pijn waarvan je niet weet of je die kunt dragen. Dus blijf je soms liever waar je bent, ook wanneer dat betekent dat je wegloopt van alles wat mooi zou kunnen worden.

Ik vind dat een verdrietige gedachte. En tegelijkertijd herken ik er iets heel menselijks in.

De pijn die we met elkaar in stand houden

Eckhart Tolle schrijft in Een nieuwe aarde over wat hij het pijnlichaam noemt: oude emotionele pijn die we met ons meedragen en die in bepaalde situaties opnieuw actief wordt. Volgens Tolle kunnen we zo vertrouwd raken met bepaalde gevoelens en patronen dat we ze, vaak zonder het te beseffen, telkens opnieuw oproepen. Ook in onze relaties.

Dat bracht me bij een andere vraag. Wat gebeurt er wanneer twee mensen elkaar juist in die pijn herkennen?

We voelen ons vaak aangetrokken tot mensen die iets van ons begrijpen wat anderen niet zien. Die vergelijkbare ervaringen hebben, dezelfde onzekerheden kennen of worstelen met vragen die ook ons bezighouden. Die herkenning kan een enorme verbondenheid creëren.

Ik moest denken aan het begrip traumabonding, al heeft dat in de psychologie een specifiekere betekenis dan simpelweg verbonden zijn door gedeelde pijn. Wat mij vooral bezighoudt, is de vraag of een relatie soms mede wordt gedragen door de patronen waarin twee mensen elkaar herkennen.

Ik onderzoek dat momenteel ook in een vriendschap die me dierbaar is. We vonden elkaar onder andere in de onzekerheid over onze professionele toekomst. In het zoeken naar onze plek, de angst om ruimte in te nemen en de moed die nodig is om zichtbaar te worden. We begrepen iets van elkaar wat voor anderen niet altijd gemakkelijk te begrijpen was.

Maar wat gebeurt er wanneer een van beiden daadwerkelijk stappen begint te zetten? Wanneer de onzekerheid langzaam plaatsmaakt voor richting en iemand meer ruimte durft in te nemen?

Ik merk dat onze vriendschap juist nu begint te schuren. En ik vraag me af of een deel van onze verbondenheid rustte op de herkenning van iets waar we allebei in vastzaten.

Dat is een ongemakkelijke vraag. Want wat we met elkaar hebben gedeeld, is echt. De vriendschap is echt. Alleen ontdek ik dat een verbinding kan veranderen wanneer de mensen binnen die verbinding veranderen.

Dat hoeft niet te betekenen dat de vriendschap haar waarde verliest. Maar het vraagt wel iets van ons. Kunnen we elkaar blijven zien en begrijpen wanneer we ons niet langer op dezelfde plek bevinden? Kunnen we blij zijn met elkaars ontwikkeling, ook wanneer die ons confronteert met onze eigen onzekerheden? En kunnen we verdragen dat de ander niet meer vanzelfsprekend dezelfde rol vervult als vroeger?

Ik herken die vragen inmiddels op meer plekken in mijn leven. In mijn huwelijk, maar ook in mijn werk.

Waarom bleef ik bijvoorbeeld zo lang bij Schiphol? Natuurlijk waren daar heel veel goede redenen voor. Ik had er prachtig werk, fijne collega's, verantwoordelijkheid en volop mogelijkheden om me te ontwikkelen. Tegelijkertijd vraag ik me achteraf af hoeveel veiligheid ik ontleende aan het vertrouwde. Aan mijn positie, mijn kennis, mijn netwerk en het feit dat ik wist hoe ik me in die wereld moest bewegen.

Wanneer een omgeving je jarenlang bevestigt in wie je bent, kan het behoorlijk spannend worden om te ontdekken wie je daarbuiten zou kunnen zijn.

Toen een dierbare collega afscheid nam van Schiphol, gaf hij me een cadeautje met een kaartje waarop hij schreef:

‘Soms moet je stoppen om verder te komen.’

Ik weet nog dat die woorden me raakten. Ik las er destijds een aanmoediging in. Alsof hij me een klein zetje wilde geven om zelf ook in beweging te komen. Of dat werkelijk zijn bedoeling was, weet ik niet. Maar zo kwamen zijn woorden bij mij binnen.

Niet lang daarna vertrok ik zelf ook bij Schiphol.

Pas later begon ik te begrijpen hoe veelomvattend die uitspraak eigenlijk is. Want stoppen klinkt als iets definitiefs. Als opgeven, afhaken of iets niet afmaken. Zeker wanneer je, zoals ik, gewend bent om verantwoordelijkheid te nemen, door te zetten en niet zomaar weg te lopen wanneer iets moeilijk wordt.

Maar soms is stoppen juist een daad van vertrouwen. De erkenning dat iets je veel heeft gebracht, zonder dat je eraan vast hoeft te blijven houden. Dat je ergens met liefde op kunt terugkijken en tegelijkertijd kunt voelen dat het tijd is voor een volgende stap.

En dat verder komen niet altijd begint met harder je best doen. Soms begint het met durven ophouden.

En daar raakt deze gedachte voor mij aan het leven van onze purpose. Want zolang we vooral proberen te behouden wat ons veiligheid geeft, kunnen we voorbijgaan aan wat er werkelijk in ons leeft. Aan talenten die nog nauwelijks ruimte krijgen, verlangens die we steeds uitstellen of ideeën die we niet durven uitspreken.

Het zette me aan het denken over hoeveel van wat we liefde, loyaliteit of verantwoordelijkheid noemen, soms ook een vorm van bescherming is. Een manier om niet te hoeven voelen hoe spannend het is om onszelf volledig te laten zien.

Die liefde of loyaliteit wordt daardoor niet minder echt. Maar het nodigt me wel uit om eerlijker te onderzoeken wat me verbindt en wat me vasthoudt.

Die vraag speelde ook toen ik een paar jaar geleden voor de keuze stond of ik wilde blijven in mijn huwelijk of wilde scheiden.

Ik zag destijds een fragment van Jan Geurtz waarin hij een gedachte naar voren bracht die me behoorlijk bezighield: dat de juiste keuze misschien de keuze is waarbij uiteindelijk de minste mensen pijn lijden.

Ik weet nog dat ik daar aanvankelijk één conclusie uit trok. Dan moet ik blijven. Want als ik wegga, doe ik mijn man en mijn kinderen pijn. Als ik blijf, ben ik degene die pijn heeft. Eén persoon in plaats van drie.

Ik vond dat destijds een bijna vanzelfsprekende afweging. Alleen zat er een aanname onder die ik pas later begon te herkennen: dat mijn pijn uitsluitend van mij zou blijven.

Dat ik jarenlang ongelukkig kon zijn zonder dat dit invloed zou hebben op de mensen om me heen. Dat ik mijn verdriet kon dragen en tegelijkertijd op dezelfde manier aanwezig kon blijven als moeder, partner en mens.

Maar zo werkt het leven volgens mij niet. Wanneer je langdurig vanuit pijn leeft, verandert er iets in hoe je je verhoudt tot jezelf en tot de wereld. In hoeveel energie je hebt, hoeveel vreugde je ervaart en hoe open je nog kunt staan voor de mensen en mogelijkheden om je heen.

En daarmee heeft jouw pijn ook invloed op anderen, zelfs wanneer je probeert die zo veel mogelijk bij jezelf te houden.

Langzaam veranderde mijn perspectief. Ik begon te zien dat een scheiding op korte termijn veel verdriet zou veroorzaken, maar op langere termijn ruimte kon maken voor een gezonder en gelukkiger leven.

Een scheiding is natuurlijk geen vanzelfsprekende oplossing. Het verdriet verdwijnt daarna ook niet zomaar. Maar blijven is eveneens een keuze, met gevolgen. En het vermijden van een pijnlijke verandering betekent niet dat je pijn voorkomt.

Inmiddels zijn we twee jaar verder. Ik zie hoe ikzelf floreer. Hoe er weer ruimte is gekomen voor plezier, nieuwsgierigheid, liefde, nieuwe ontmoetingen en mogelijkheden die ik een paar jaar geleden nauwelijks kon overzien. En ik zie hoe mijn kinderen daarin hun eigen weg vinden en mee kunnen groeien.

Dat betekent niet dat iedereen dezelfde ervaring heeft of dat alles nu gemakkelijk is. Ik hoop oprecht dat ook mijn voormalige partner zijn eigen weg naar een gelukkig leven vindt. Maar ik kan die weg niet voor hem afleggen.

Zijn keuzes zijn van hem. Zoals mijn keuzes van mij zijn.

En daar hoor ik de woorden van mijn vader opnieuw. Accepteer wat je niet kunt veranderen en verander wat je niet kunt accepteren.

Ik kan de gevoelens, gedachten of keuzes van een ander niet veranderen. Ik kan wel verantwoordelijkheid nemen voor mijn eigen leven.

Wat me daarbij heeft verrast, is dat accepteren soms net zoveel moed vraagt als veranderen. Want accepteren betekent erkennen dat iets werkelijk is zoals het is, ook wanneer je het liever anders zou zien. Dat je iemand niet kunt redden. Dat liefde geen garantie geeft op wederkerigheid. Dat je niet kunt afdwingen dat iemand je begrijpt.

En veranderen betekent dat je bereid bent het vertrouwde te verlaten zonder te weten wat ervoor in de plaats komt.

Het een is niet per definitie moediger dan het ander. Het vraagt vooral dat je eerlijk durft te kijken naar wat er werkelijk aan de hand is.

De ruimte tussen wat gebeurt en wat je doet

In het werk van Otto Scharmer, grondlegger van Theory U, vond ik woorden voor iets wat ik zelf steeds meer begon te ervaren. Hij beschrijft hoe verandering vraagt om een open mind, een open heart en een open will. Om de bereidheid bestaande overtuigingen, oordelen en verwachtingen los te laten, zodat iets nieuws kan ontstaan.

Hij noemt dat letting go en letting come.

Die twee begrippen horen bij elkaar. Toch lijkt onze aandacht vaak vooral naar het eerste uit te gaan. Loslaten klinkt als iets wat je moet doen. Een beslissing nemen, een hoofdstuk afsluiten, een punt zetten. Alsof je daarna verder kunt.

Maar wat als je nog helemaal niet weet wat er daarna komt?

Wat als je iemand mist en dat gemis morgen niet minder is? Wat als een ander teleurgesteld is en jij het niet kunt oplossen? Wat als je besluit je oude manier van werken achter je te laten, zonder te weten of de nieuwe je voldoende inkomen zal brengen?

Dan ontstaat er ruimte. En ruimte kan behoorlijk ongemakkelijk zijn.

We zijn gewend om die zo snel mogelijk weer te vullen. Met plannen, verklaringen, gesprekken, oplossingen, nieuwe doelen. Alles liever dan blijven zitten met iets waarvan we de afloop niet kennen.

Terwijl juist daar iets interessants kan gebeuren. Wanneer we niet onmiddellijk reageren, kunnen we onderzoeken wat er eigenlijk in ons gebeurt. Waarom raakt dit me? Waar ben ik bang voor? Wat verlang ik? En is dit werkelijk van mij om op te lossen?

Ik denk regelmatig terug aan een vraag die tijdens de coronaperiode bij me opkwam: Mag een mens nog wel doodgaan?

Het was geen pleidooi om mensen aan hun lot over te laten. Natuurlijk willen we ziekte voorkomen, pijn verzachten en elkaar beschermen. Maar ergens begon het me te benauwen hoeveel van het leven we probeerden te beheersen. Alsof we ieder risico, ieder verlies en iedere vorm van onzekerheid uit ons bestaan zouden kunnen organiseren.

Terwijl juist de wetenschap dat iets eindig is, betekenis kan geven aan wat er nu is.

Dat geldt voor het leven zelf, maar ook voor relaties, vriendschappen, werk en de rollen die we vervullen. Een relatie kan eindigen en toch van grote betekenis zijn geweest. Zoals iets jarenlang goed voor je kan zijn geweest, zonder dat het voor altijd goed hoeft te blijven.

Dat maakt afscheid niet minder verdrietig. En het betekent al helemaal niet dat je gevoelens zich keurig voegen naar de beslissing die je met je hoofd hebt genomen.

Soms wil ik nog steeds iets vertellen aan iemand die niet meer vanzelfsprekend deel uitmaakt van mijn dagelijks leven. Iets kleins dat gebeurde. Een grap die ik tegenkwam. Een gedachte waarvan ik weet dat we er samen een prachtig gesprek over hadden kunnen voeren.

Ik sta soms nog met diegene op en ga met diegene naar bed. Niet letterlijk, maar in gedachten. In alles wat ik gedurende de dag tegenkom en zou willen delen.

Vroeger had ik geprobeerd die gedachten weg te duwen. Inmiddels geef ik ze de ruimte. Ik hoef niet minder te voelen om verder te kunnen leven. En ik hoef niet ieder verlangen te vervullen om het volledig te mogen voelen.

Soms zit de pijn niet alleen in het gemis, maar ook in ons verzet tegen het feit dat we iemand missen.

Pijn vertelt ons soms waar we gewond zijn. Maar ook waar ons verlangen leeft.

Dat betekent niet dat pijn een voorwaarde is om te groeien, of dat ieder verdriet ergens goed voor moet zijn. Sommige dingen zijn eenvoudigweg verdrietig. Alleen hoeven we niet ieder ongemakkelijk gevoel onmiddellijk te bestrijden om verder te kunnen leven.

Wat leren we onze kinderen eigenlijk?

Een tijdje geleden sprak ik een oud-collega. Zijn dochter stond op het punt naar de middelbare school te gaan en hij vroeg zich af of hij haar straks wel voldoende zou kunnen helpen. Al die vakken, al die kennis die hij zelf misschien niet meer paraat had. Wat als zij ergens moeite mee zou krijgen en hij haar niet kon uitleggen hoe het moest?

Ik moest glimlachen om zijn bezorgdheid. En ik vertelde hem dat ik dacht dat hij zich over het verkeerde zorgen maakte.

Voor al die kennisvakken kun je hulp inkopen, zei ik. Als je dochter moeite krijgt met wiskunde, natuurkunde of een vreemde taal, dan zijn er docenten en bijlessen. Daar hoef jij niet per se de expert in te zijn.

Maar jouw tijd als vader? Die is onvervangbaar.

Besteed die vooral aan er werkelijk voor haar zijn. Aan de gesprekken over vriendschap, verliefdheid, teleurstelling en afwijzing. Aan het helpen ontdekken wie ze is, wat ze belangrijk vindt en hoe ze met zichzelf en anderen wil omgaan. Aan haar leren dat fouten maken bij het leven hoort en dat ze altijd bij je terechtkan, ook wanneer ze iets heeft gedaan waar ze niet trots op is.

That is the best part of being a parent. Raising a human being.

Nu mijn eigen kinderen bijna volwassen zijn, voel ik steeds sterker hoezeer het ouderschap verandert. Van zorgen vóór hen naar hen leren zorgen voor zichzelf én voor anderen.

En eerlijk gezegd vind ik dat soms ingewikkelder dan de praktische zorg van vroeger. Want wanneer grijp je in? Wanneer laat je iets gebeuren? Wanneer is helpen werkelijk behulpzaam en wanneer ontneem je iemand de gelegenheid om iets zelf te ontdekken?

We hebben er zelfs een woord voor: curlingouders. Ouders die voortdurend voor hun kinderen uit vegen, zodat de weg zo glad mogelijk wordt.

Ik begrijp die impuls. Wie wil zijn kind nu verdrietig zien?

Maar als we alle obstakels proberen weg te nemen, ontnemen we kinderen mogelijk ook de gelegenheid om te ontdekken wat ze zelf kunnen dragen. Hoe ze herstellen na een teleurstelling. Hoe ze hun eigen keuzes maken, inclusief de mogelijkheid dat die verkeerd uitpakken.

Je kunt naast iemand blijven staan, zonder voor diegene te gaan staan.

Ik zie bij mijn eigen kinderen hoe verschillend mensen met die ruimte omgaan. Mijn zoon kan soms wel erg ontspannen zijn als het om school gaat. En zijn cijfers laten dan ook zien dat een beetje meer inspanning hem geen kwaad zou doen.

Mijn dochter zit eerder aan de andere kant van het spectrum. Zij werkt hard, haalt goede cijfers, maar kan zichzelf ook een enorme druk opleggen. De angst om te falen is soms bijna net zo groot als haar verlangen om het goed te doen.

En ergens tussen die twee uitersten ligt natuurlijk een wereld aan mogelijkheden.

Ik gun ze allebei dat ze ontdekken hoe ze zich kunnen inspannen zonder zichzelf voortdurend langs de meetlat van hun prestaties te leggen. Dat ze plezier kunnen hebben in leren, nieuwsgierig blijven en durven experimenteren.

En dat ze leren dat een cijfer iets zegt over een prestatie op een bepaald moment, maar lang niet alles over wie ze zijn of wat ze kunnen worden.

Wat gebeurt er wanneer winnen even niet hoeft?

De afgelopen twee weken zag ik iets bijzonders op het hockeyveld. Mijn dochter speelde met haar team twee wedstrijden waarin ze werkelijk de sterren van de hemel speelden.

Vorige week stonden ze als vierde of vijfde in hun poule tegenover de nummer één. Een ploeg waarvan ze vooraf niet verwachtten te kunnen winnen.

En wat gebeurde er? Ze wonnen.

Afgelopen weekend speelden ze als eersteklasseteam een oefenwedstrijd tegen een ploeg uit de subtop, opnieuw op papier een sterkere tegenstander. En opnieuw wonnen ze.

Na afloop hoorde ik de coach verzuchten: ‘Waarom kunnen ze niet altijd zo spelen?’

Ik dacht: misschien juist omdat ze deze wedstrijden niet hóéfden te winnen. Omdat de verwachting er niet was. Omdat ze konden spelen zonder voortdurend bezig te zijn met wat er op het spel stond. Omdat ze hun grip op de uitkomst een beetje hadden losgelaten en daardoor vrijer konden bewegen.

Natuurlijk kun je uit twee wedstrijden geen wetmatigheid afleiden. Maar het zette me aan het denken. Hoe vaak gebeurt het niet dat we ergens zó graag in willen slagen dat juist dat verlangen ons belemmert?

Dat we verkrampt raken. Voorzichtig worden. Fouten proberen te voorkomen. Terwijl we, zodra die druk er even af is, opeens veel meer kunnen dan we zelf dachten?

Ik herkende het ook bij mezelf.

Deze week had ik mijn eerste betaalde één-op-één coachingsgesprek. Ik merkte dat ik van tevoren gezonde spanning voelde. En eigenlijk vond ik dat best grappig.

Want dit soort gesprekken voer ik al jaren. Ik luister, stel vragen, spiegel, verbind en help mensen om anders naar zichzelf en hun situatie te kijken. Dat doe ik bijna vanzelfsprekend.

Maar nu betaalde iemand me ervoor. En opeens was iets dat ik al heel lang doe een prestatie geworden.

Er hing ineens een prijskaartje aan mijn bijdrage en daarmee, zo ontdekte ik, ook een verwachting die ik mezelf oplegde. Alsof ik opeens iets moest bewijzen wat ik de dag ervoor nog gewoon kon.

Ik moest denken aan Simon Sinek en zijn boek The Infinite Game. Daarin maakt hij onderscheid tussen eindige spellen, waarin winnen en verliezen centraal staan, en oneindige spellen, waarin het erom gaat dat je kunt blijven spelen.

Een hockeywedstrijd heeft natuurlijk gewoon een eindstand. En een onderneming moet uiteindelijk voldoende inkomsten genereren om te kunnen bestaan. Dat verdwijnt niet doordat je anders naar succes kijkt.

Maar wat gebeurt er als je binnen die werkelijkheid óók aandacht hebt voor het grotere spel? Voor leren, groeien, plezier maken, relaties opbouwen en steeds beter worden in wat je doet?

Als je niet bij iedere ontmoeting hoeft te denken: wat levert dit op? Als een gesprek waardevol mag zijn zonder dat er onmiddellijk een opdracht uit voortkomt? En als een wedstrijd geslaagd kan zijn omdat je prachtig hebt gespeeld, ongeacht de uitslag?

We presteren soms juist beter wanneer we niet voortdurend bezig zijn met de vraag of we wel goed genoeg presteren.

De mensen die ons helpen springen

Maar hoe leer je eigenlijk om iets te wagen wanneer je niet zeker weet of het zal lukken?

Het klinkt mooi, die gedachte dat je de uitkomst wat meer moet loslaten. Totdat er werkelijk iets op het spel staat. Je inkomen. Je reputatie. Een relatie die belangrijk voor je is. Of de angst dat je iemand teleurstelt.

Dan merk je hoe graag je zekerheid wilt.

Ik heb de afgelopen jaren ontdekt dat de mensen die je om je heen verzamelt daarin een enorm verschil kunnen maken.

Mijn werkengel. Mijn besties. Mijn nicht. Mijn petemoeder. En steeds meer mensen die op hun eigen manier onderdeel zijn geworden van mijn leven.

Mensen bij wie ik me veilig genoeg voel om te durven falen. Die in me geloven, maar die niet van me verwachten dat alles wat ik onderneem ook daadwerkelijk slaagt. Bij wie ik mijn twijfels kan uitspreken, mijn onzekerheden kan laten zien en met wie ik ook kan lachen om mijn eigen gestuntel.

Simon Sinek gebruikt het beeld van een parachute. We durven soms pas te springen wanneer we weten dat er iemand is die ons opvangt als het misgaat.

Dat herken ik. Moed is niet altijd iets wat je helemaal in jezelf moet vinden. Soms ontstaat moed doordat iemand anders in je gelooft, juist op het moment dat jij nog twijfelt.

De parachute springt niet voor je. Maar hij maakt het mogelijk dat jij durft te springen.

De mensen om me heen hebben me de afgelopen jaren niet behoed voor moeilijke momenten, onzekerheid of teleurstellingen. Ze hebben me wel het vertrouwen gegeven dat ik die momenten niet alleen hoef door te maken.

En eigenlijk geldt dat niet alleen voor de moed om iets te ondernemen. Het geldt ook voor de moed om jezelf te zijn.

Want wat maakt dat we ons bij de ene persoon zo vrij voelen en bij de andere voortdurend op onze woorden letten? Dat we bij sommige mensen onze twijfels durven uitspreken, onze minder fraaie kanten laten zien en zelfs een beetje vals durven zingen, terwijl we bij anderen vooral bezig zijn met hoe we overkomen?

In een fragment van Matthew Hussey hoorde ik onlangs een antwoord dat me raakte. Hij beschrijft een goede liefdesrelatie als een plek waar je je thuis voelt. Waar je jezelf kunt zijn zonder voortdurend bang te zijn voor het oordeel van de ander. En waar je, juist doordat je die veiligheid ervaart, ook ruimte voelt om te groeien.

Ik denk dat dit niet alleen voor liefdesrelaties geldt. Ook in vriendschappen, gezinnen en teams maakt het nogal wat uit of je voortdurend bezig bent met wat anderen van je vinden, of dat je erop kunt vertrouwen dat je er mag zijn zoals je bent.

Veiligheid betekent niet dat iemand je altijd gelijk geeft, dat er nooit conflicten zijn of dat je niet wordt uitgedaagd. Het betekent dat je voldoende vertrouwen hebt in de verbinding om ook de minder fraaie kanten van jezelf te laten zien.

En dat je mag veranderen.

We houden in relaties soms onbewust vast aan de rol die iemand ooit voor ons vervulde. De sterke. De zorgzame. De grappige. Degene die altijd beschikbaar is. Degene die de harmonie bewaart.

Maar mensen veranderen. Hun behoeften veranderen. Hun grenzen veranderen.

Wat gebeurt er wanneer we elkaar de ruimte geven om mee te groeien, in plaats van elkaar steeds terug te trekken naar wie we vroeger waren?

Dat vraagt iets van beide kanten. Verbondenheid betekent niet dat we altijd hetzelfde nodig hebben, voortdurend beschikbaar moeten zijn of elkaars verwachtingen moeten vervullen.

Het betekent ook dat we kunnen erkennen dat iemand anders het leven op een andere manier ervaart. Dat gevoelens zich bij de een onmiddellijk laten zien en bij de ander pas dagen later. Dat de een nabijheid zoekt wanneer het moeilijk wordt en de ander eerst stilte nodig heeft.

Begrip daarvoor is waardevol. Maar het betekent niet dat wederkerigheid, respect of verantwoordelijkheid er minder toe doen.

We kunnen de binnenwereld van een ander niet beheersen. We kunnen wel kijken hoe we met elkaar omgaan.

Harry Styles zei iets wat me is bijgebleven:

‘Fill up your own cup and let them fall in love with the overflow.’

Ik vind dat zo'n mooie gedachte.

Bouw aan een leven dat je liefhebt. Zorg voor wat jou voedt. Ontdek waar je energie van krijgt en wat je wilt bijdragen.

Niet omdat je eerst volledig gelukkig en onafhankelijk moet zijn voordat je liefde verdient, maar omdat liefde zoveel rijker kan worden wanneer je haar niet uitsluitend nodig hebt om een leegte te vullen.

Je kunt verlangen naar iemand en tegelijkertijd een vol leven leiden. Je kunt veel van iemand houden zonder dat diegene verantwoordelijk wordt voor jouw geluk. En je kunt verbonden zijn zonder elkaar vast te zetten.

Kleine stenen in de rivier

In een gesprek met Richard van Romunde vertelde hij me over een metafoor die hij gebruikt wanneer hij met organisaties werkt.

Stel je een rivier voor waarin het water al jarenlang dezelfde richting op stroomt. Wanneer je daar één grote steen in gooit, zal het water er meestal gewoon omheen stromen. Na enige tijd vervolgt de rivier haar vertrouwde weg.

Maar wanneer je steeds opnieuw kleine stenen op een bepaalde plek neerlegt, kan de loop van het water langzaam veranderen.

Richard vertelde dat dit ook zijn visie op organisatieverandering is. We kunnen een grote bijeenkomst organiseren, een inspirerende heidag houden of een nieuwe strategie presenteren. Maar zolang we daarna allemaal hetzelfde blijven doen, verandert er in de praktijk weinig.

Echte verandering vraagt om herhaling. Om kleine handelingen die langzaam een ander patroon laten ontstaan.

We spraken over hoe gemakkelijk organisaties terugvallen in vertrouwde gewoonten. Zelfs wanneer iedereen oprecht enthousiast is over een nieuwe richting. Want een nieuwe strategie bedenken is één ding, maar de manier waarop we iedere dag werken, samenwerken en beslissingen nemen daadwerkelijk veranderen, is iets heel anders.

Wat me aansprak in zijn verhaal, is dat verandering blijkbaar niet altijd vraagt om iets groots of meeslepends. Soms begint ze met iets heel kleins. Met de bereidheid om het vandaag nét iets anders te doen dan gisteren. En dat morgen opnieuw te proberen.

Ik moest daarbij ook denken aan mijn eigen ondernemerschap. Hoe vaak zijn we niet zo gericht op waar we naartoe willen, dat we nauwelijks aandacht hebben voor wat er onderweg gebeurt?

We stellen doelen, maken plannen en bepalen wanneer iets succesvol is. En ondertussen kan er van alles ontstaan wat we vooraf niet hadden voorzien.

We kunnen de richting bepalen waarin we willen bewegen, maar niet alles wat die beweging teweegbrengt.

En dat vraagt een andere manier van kijken naar resultaat. Naar succes. Naar de waarde van wat we doen.

Want wanneer heeft iets eigenlijk waarde? Alleen wanneer het oplevert wat we vooraf hadden bedacht? Of ook wanneer het onderweg iets anders mogelijk maakt?

Mijn North Star werd onze North Star

Toen ik een aantal maanden geleden een groep mensen uit verschillende disciplines bij elkaar bracht rond de toekomst van het clubhuis van hockeyclub Klein Zwitserland, wist ik eigenlijk nog niet precies wat we met elkaar zouden gaan maken.

Wat ik wel wist, was waarom ik deze mensen bij elkaar wilde brengen.

Ik wilde ontdekken wat er mogelijk wordt wanneer mensen met verschillende achtergronden, kennis, talenten en netwerken samen iets creëren dat ieder afzonderlijk niet had kunnen maken.

Klein Zwitserland was daarvoor onze eerste testcase. Een concrete opgave waarin we konden onderzoeken of het grotere idee dat ik voor ogen had met dit collectief ook in de praktijk zou werken.

Ik had een North Star. Een beeld van wat dit collectief zou kunnen worden. En hoewel ik nog lang niet precies wist hoe we daar moesten komen, bleef ik die ster gedurende het hele proces zien.

Dat bleek soms behoorlijk ingewikkeld. Want het is één ding om zelf ergens in te geloven. Het is iets heel anders om anderen mee te nemen in iets wat zij nog niet kunnen zien.

We hadden geen gezamenlijke onderneming, geen uitgewerkte samenwerkingsstructuur en geen garantie op een opdracht. We kenden elkaar bovendien nog maar kort. En toch besloten we er samen in te stappen.

Ik merkte dat dit proces me regelmatig uitdaagde om precies die dingen te doen die ik de afgelopen jaren aan het leren ben. Hulp vragen wanneer ik het zelf niet meer overzag. Een moeilijk gesprek voeren wanneer iets niet lekker liep. Niet onmiddellijk alles willen oplossen. Ruimte geven aan anderen, ook wanneer hun manier van werken anders was dan de mijne.

En soms juist vasthouden. Aan de richting. Aan het grotere plaatje. Ook wanneer ik merkte dat anderen nog niet helemaal begrepen waar ik naartoe wilde.

En soms moest ik ook gewoon doorduwen.

Want met tien mensen in twee weken tijd een gezamenlijk conceptboek maken, lukt niet wanneer je voor iedere afspraak eerst een Poolse landdag via Datumprikker organiseert.

Soms plande ik gewoon een bijeenkomst in en keek ik wie erbij kon zijn. Soms nam ik een besluit terwijl ik wist dat nog niet iedereen zich erover had uitgesproken. En soms moesten we simpelweg verder, ook wanneer nog niet alle informatie beschikbaar was of iedereen zich volledig in de gekozen richting kon vinden.

Dat vond ik niet altijd gemakkelijk. Juist omdat ik het belangrijk vind dat mensen zich gehoord voelen en onderdeel zijn van wat we samen creëren.

Maar onder die behoefte om iedereen mee te nemen, ontdekte ik ook iets anders: angst. De angst om het verkeerd te doen, iemand teleur te stellen, een beslissing te nemen die achteraf niet de juiste blijkt of de verbinding te verliezen wanneer anderen het niet met me eens zijn.

Ik moest denken aan een regel die ik ooit tegenkwam voor het nemen van beslissingen: 80% excitement, 20% fear, 0% deadness.

Die verhouding spreekt me aan. Wanneer je voor een belangrijke keuze staat, mag je best bang zijn. Sterker nog, als iets er werkelijk toe doet en de uitkomst onzeker is, is het heel begrijpelijk dat je spanning voelt. Maar onder die angst wil je vooral enthousiasme, nieuwsgierigheid en levensenergie ervaren. Het gevoel dat je ergens naartoe wilt bewegen.

En wanneer je vooral deadness voelt? Wanneer iets je vanbinnen laat uitdoven en er nauwelijks verlangen of levenslust tegenover staat? Dan is dat voor mij een belangrijk signaal om te onderzoeken of ik wel de juiste richting op beweeg.

Het is geen rekensom waarmee je kunt voorspellen of een beslissing goed zal uitpakken. De verhouding helpt me onderscheid te maken tussen de angst die hoort bij iets wat ik graag wil en het gevoel dat een bepaalde richting eigenlijk niet bij me past.

Mijn haptonoom zei ooit tegen me: ‘Spannend is goed, Sheila. Daar zit namelijk een ja onder.’

Die woorden zijn me altijd bijgebleven.

En ik moet ook denken aan iets dat mijn toenmalige directeur bij Schiphol me ooit meegaf: ‘Je moet altijd ergens naartoe lopen, Sheila. Niet ergens vandaan.’

Ik begin steeds beter te begrijpen hoe die twee uitspraken elkaar aanvullen. Want wanneer je ergens van weg wilt, weet je vaak heel goed wat je niet meer wilt. Maar dat vertelt je nog niet waar je eigenlijk naar verlangt.

En juist dat verlangen helpt me om richting te kiezen. Om te voelen of ik ergens naartoe beweeg, omdat het me nieuwsgierig maakt, energie geeft en iets in me wakker maakt. Of dat ik vooral probeer te ontsnappen aan iets wat ongemakkelijk of pijnlijk is.

Ooit kreeg ik van een van mijn besties een handgeschreven lijstje. Op de ene pagina staan gevoelens en ervaringen die erop kunnen wijzen dat je op je zielspad zit. Op de andere pagina signalen dat je daarvan bent afgedwaald.

Het is een lijstje dat ik nog regelmatig tevoorschijn haal wanneer ik even niet weet welke kant ik op wil. Ik lees dan woorden als levensvreugde, innerlijke voldoening, creativiteit en vertrouwen op mijn innerlijke kompas. En op de andere pagina zie ik wat er gebeurt wanneer ik mezelf wegcijfer, mijn leven laat bepalen door verwachtingen van anderen of blijf vasthouden aan het verleden.

Het zijn geen objectieve criteria waarmee je kunt vaststellen of je de juiste keuze maakt. Voor mij zijn het vragen die me helpen om weer contact te maken met wat ik voel, juist wanneer mijn hoofd allerlei redenen aandraagt om iets wel of niet te doen.

54c445e3 d063 42af 92ff 836ca52b3f81

Bij Klein Zwitserland voelde ik dat heel sterk. Ik was enthousiast over wat we samen aan het bouwen waren. En ik vond het spannend. Juist omdat ik erin geloofde, had ik iets te verliezen.

Het zou gemakkelijker zijn geweest om te wachten. Nog een keer af te stemmen. Nog een gesprek te voeren. Pas te besluiten wanneer iedereen zich volledig kon vinden in de gekozen richting.

Maar dan hadden we waarschijnlijk een groot deel van wat uiteindelijk ontstond nooit ontdekt.

Ik leerde dat ruimte geven iets anders is dan eindeloos blijven afstemmen. Dat samenwerken ook vraagt om vertrouwen in elkaars oordeel en de bereidheid om besluiten bij te stellen wanneer de praktijk daarom vraagt.

En vooral dat ik mijn angst niet eerst hoef weg te nemen voordat ik in beweging kom.

In de laatste week, toen alles samen moest komen, heb ik iedere ochtend wel een moment gehad waarop ik dacht: hoe gaan we dit in hemelsnaam voor elkaar krijgen? Waarom wilde ik dit eigenlijk? Waarom ben ik hieraan begonnen? Gaan we dit wel redden?

Dan moest ik mezelf even herpakken, opnieuw kijken naar die North Star en zorgen dat ook voor de rest van de groep weer duidelijk werd waar we naartoe werkten. En vervolgens gingen we verder.

Er werd geschreven, ontworpen, gediscussieerd, geschoven en opnieuw begonnen. Soms liep iets vast. Soms ontstond er ineens een oplossing waar we de dag ervoor nog niet op waren gekomen.

Wat ik bijzonder vond, was dat ik me bij deze mensen veilig genoeg voelde om niet altijd degene te hoeven zijn die het antwoord had. Om te twijfelen. Om hulp te vragen. Om iets verkeerd te doen. En om het daarna samen opnieuw te proberen.

Dat was niet vanzelfsprekend. We kenden elkaar tenslotte nog maar kort. Maar ergens onderweg was er voldoende vertrouwen ontstaan om ook de minder fraaie kanten van samenwerken toe te laten.

En ik merkte dat ik daardoor meer durfde. Niet omdat de angst verdween, maar omdat ik niet langer het gevoel had dat ik alles alleen hoefde te dragen.

Toen we uiteindelijk ons conceptboek hadden ingediend, zeiden ze iets tegen me dat me raakte.

Ze vertelden dat ze lang niet altijd hadden begrepen waar ik met mijn missie naartoe wilde. Maar dat ze nu, na alles wat we samen hadden gedaan, begonnen te begrijpen wat ik bedoelde. En hoe bijzonder ze het vonden om onderdeel te mogen zijn van deze reis en deze groep.

Daar gebeurde voor mij iets wezenlijks.

Mijn North Star was onze North Star geworden.

We werden uiteindelijk niet geselecteerd voor de opdracht. Natuurlijk vond ik dat jammer. We hadden er ontzettend veel tijd, energie en vakmanschap in gestoken en ik had graag gezien wat we samen hadden kunnen realiseren.

Maar ik voelde ook iets anders.

We hadden gewonnen.

Niet de opdracht, maar iets wat voor het grotere verhaal misschien wel belangrijker was.

We hadden ervaren wat het betekent om samen iets te creëren zonder vooraf precies te weten hoe. We hadden ontdekt waar onze kracht ligt, waar we elkaar aanvullen en waar we elkaar soms ook in de weg zitten.

We weten nu beter welke afspraken we met elkaar willen maken. Hoe we willen samenwerken. Wat we willen behouden en wat we een volgende keer anders zullen doen.

We zijn er nog niet. Maar we zijn wel een stap verder.

En die stap hadden we nooit kunnen zetten door er alleen maar met elkaar over te praten. We moesten het doen.

We moesten bereid zijn om iets te wagen, terwijl we de uitkomst niet kenden. En we moesten voldoende in het grotere plaatje geloven om door te gaan op de momenten dat de onzekerheid groter werd dan ons vertrouwen.

Want zonder dat grotere perspectief hadden we onszelf waarschijnlijk op enig moment afgevraagd of we niet gewoon een beetje naïef bezig waren.

Misschien waren we dat soms ook wel.

Maar ik heb liever dat we al doende ontdekken wat er mogelijk is, dan dat we blijven wachten tot we vooraf zeker weten dat iets zal slagen.

Wat we met elkaar in stand houden

Hoe meer ik deze patronen bij mezelf begon te herkennen, hoe meer ik ze ook terugzag in organisaties en in de manier waarop we onze samenleving hebben ingericht.

We zijn bijzonder goed geworden in organiseren, meten, beheersen en optimaliseren. We bouwen systemen om risico's te beperken, prestaties te vergelijken, processen te standaardiseren en resultaten voorspelbaar te maken.

En veel daarvan heeft ons ontzettend veel gebracht.

Maar ergens onderweg lijken we soms te zijn vergeten dat mensen niet uitsluitend functioneren volgens de logica van een spreadsheet. Dat een gebouw meer is dan vierkante meters. Dat een organisatie meer is dan een organogram. Dat een gemeenschap meer is dan de optelsom van haar leden. En dat een leven niet alleen waarde heeft wanneer het productief, efficiënt of succesvol is.

In een bijdrage van Rebecka Carlén las ik over wat zij feminine intelligence noemt. Ze beschrijft kwaliteiten als relationeel denken, ontvankelijkheid, zorg, wederkerigheid en het vermogen om systemen als levende, onderling verbonden gehelen te zien.

Wat me in deze gedachte aanspreekt, is dat ze ons uitnodigt om opnieuw te kijken naar kwaliteiten die we eeuwenlang als mannelijk of vrouwelijk zijn gaan beschouwen.

In verschillende filosofische en spirituele tradities bestaat al heel lang aandacht voor elkaar aanvullende krachten. Denk aan yin en yang in de Chinese filosofie, aan Shiva en Shakti in hindoeïstische tradities of, veel later, aan de anima en animus van Carl Jung.

Die begrippen betekenen niet allemaal hetzelfde. Maar ze herinneren me eraan dat het menselijke bestaan zich niet eenvoudig laat opdelen in denken of voelen, handelen of ontvangen, richting geven of verbinden.

Ieder mens draagt zowel masculiene als feminiene kwaliteiten in zich.

En toch hebben we in onze geschiedenis bepaalde eigenschappen steeds nadrukkelijker aan mannen of vrouwen gekoppeld. Daadkracht, rationaliteit en prestatie werden vaak hoger gewaardeerd dan zorg, ontvankelijkheid en gevoel. Terwijl juist die laatste kwaliteiten onmisbaar zijn voor de manier waarop we samenleven.

Dat heeft niet alleen vrouwen beperkt. Ik denk dat het ook veel mannen iets heeft ontnomen.

Want wat gebeurt er wanneer jongens opgroeien met het idee dat ze vooral sterk, succesvol, onafhankelijk en oplossingsgericht moeten zijn? Wanneer verdriet, onzekerheid of behoefte aan nabijheid al snel als zwakte worden gezien?

Waar leren ze dan hun eigen gevoelswereld kennen? En wie laat hun zien dat zorgzaamheid, kwetsbaarheid en aandacht voor relaties net zo goed onderdeel kunnen zijn van mannelijkheid?

Ik vind dat een belangrijke vraag, zeker wanneer ik zie welke beelden van mannelijkheid tegenwoordig via sociale media hun weg vinden naar jonge jongens.

In mijn gesprek met Richard van Romunde spraken we ook over verschillende manieren waarop mensen in beweging komen. Hij vertelde over twee bewegingen die elkaar kunnen versterken.

Een epistemologische beweging, waarin nieuwsgierigheid, een probleem of een irritatie aanleiding is om iets te onderzoeken, uit te proberen en ervan te leren. En een relationele beweging, waarin juist de behoefte aan contact, erkenning of herstel van een verbinding iemand in beweging brengt.

We spraken over de mogelijkheid dat mannen en vrouwen daarin, mede door hun opvoeding en de verwachtingen van hun omgeving, verschillende ingangen ontwikkelen.

Ik vind het een interessante gedachte, zolang we er geen vaste indeling van maken. Want ik herken beide bewegingen in mezelf. En ik zie ze ook allebei terug bij de mannen en vrouwen om me heen.

De vraag is volgens mij niet welke beweging beter is. De vraag is of we ze allebei voldoende ruimte geven.

En nog belangrijker: herkennen we via welke ingang iemand anders in beweging komt?

Dat is iets waar ik in mijn werk voortdurend naar zoek.

Wanneer ik met iemand in gesprek ga, wil ik ontdekken wat diegene werkelijk bezighoudt. Waar iemand enthousiast van wordt, waar het schuurt, wat iemand probeert te beschermen of waar iemand naar verlangt.

Ik stel vragen. Luister. Vraag door. Soms waaier ik behoorlijk uit, omdat ik allerlei zijpaden onderzoek die op het eerste gezicht weinig met de oorspronkelijke vraag te maken lijken te hebben.

Maar ondertussen ben ik eigenlijk steeds naar hetzelfde op zoek.

Waar zit jouw deur?

Want wanneer je eenmaal ontdekt via welke ingang iemand ontvankelijk is, ontstaat er vaak ruimte voor een gesprek dat eerder niet mogelijk was.

Dat geldt voor een individu, maar net zo goed voor een team of een organisatie.

En het verklaart ook waarom ik juist in de vastgoedsector zo graag werk.

Het is een wereld waarin analyse, financiële prestaties, functionaliteit, rendement en het oplossen van concrete vraagstukken van oudsher een grote rol spelen. Een wereld waarin bovendien nog altijd veel mannen werken, zeker in de besluitvormende posities.

Ik ken die taal. Ik heb er jarenlang in gewerkt. Ik begrijp het belang van cijfers, strategie, structuur en een goede businesscase.

Maar ik zie ook wat er gebeurt wanneer we daar een andere manier van kijken aan toevoegen. Wanneer we vragen wat een gebouw voor mensen kan betekenen. Wanneer we kijken naar de relaties tussen de verschillende onderdelen van een gebied. Wanneer we naast de financiële waarde ook de menselijke en maatschappelijke waarde serieus nemen.

Dat gevoel voor mensen, voor wat er tussen hen gebeurt en voor wat nog niet direct zichtbaar of meetbaar is, is wat ik wil toevoegen.

En ook daar begint het voor mij met het vinden van de juiste ingang.

Want je kunt een organisatie nog zo'n mooi verhaal vertellen over verbinding, gemeenschap of floreren. Wanneer je niet begrijpt wat de mensen in die organisatie drijft, waar hun zorgen liggen en welke taal zij spreken, komt je verhaal waarschijnlijk niet binnen.

Je kunt de deur niet voor iemand anders openen wanneer je niet eerst hebt ontdekt waar die zit.

Een plek is nooit alleen een plek

Bij Klein Zwitserland ging het ons daarom vanaf het begin over veel meer dan het ontwerp van een clubhuis.

Natuurlijk moesten we nadenken over functies, vierkante meters, duurzaamheid, kosten en architectuur. Maar voordat je een gebouw ontwerpt, wil ik weten wat die plek betekent voor de mensen die er gebruik van maken.

Voor de jonge kinderen die er hun eerste wedstrijden spelen. Voor ouders die langs de lijn nieuwe mensen leren kennen. Voor vrijwilligers die er een groot deel van hun vrije tijd doorbrengen. Voor spelers die er vriendschappen voor het leven sluiten. Voor mensen die zich er nog niet vanzelfsprekend thuis voelen.

Wat maakt dat iemand denkt: hier hoor ik bij? En wat zou die plek kunnen betekenen voor mensen die er nu nog helemaal niet komen?

Ik geloof dat je daarvoor ook de verhalen moet horen van de mensen die een plek iedere dag beleven. Hun herinneringen, hun wensen, hun irritaties en hun verlangens.

Want juist in wat mensen missen of waarover ze klagen, kan een aanwijzing zitten voor wat ze werkelijk belangrijk vinden.

Die gedachte speelt ook in een vraagstuk waarover ik onlangs met een zorgorganisatie in gesprek raakte.

Daar staat de toekomst van een locatie ter discussie. Er zijn vragen over het gebouw, de mogelijkheden voor vernieuwing, het programma, de exploitatie en de financiering.

Allemaal wezenlijke vragen. Maar ik zou het jammer vinden wanneer het gesprek uitsluitend daarover zou gaan.

Want voor wie bouwen we eigenlijk? Wat betekent deze plek voor de mensen die er wonen en werken? Welke rol speelt ze in de buurt? En wat zou er mogelijk worden wanneer we de verschillende betrokkenen vanaf het begin uitnodigen om mee te denken?

Bewoners en hun naasten. Medewerkers. Bestuurders. Mensen uit de buurt. De gemeente. Financiers. Andere organisaties die een bijdrage kunnen leveren.

Iedereen brengt vanuit een ander perspectief iets mee wat de anderen nog niet zien.

Daar begint voor mij co-creatie. Met luisteren. Met nieuwsgierig zijn naar wat er al is. Met ontdekken waar mensen naar verlangen en welke kwaliteiten, kennis en middelen beschikbaar zijn.

Pas daarna ga je onderzoeken wat je samen kunt maken.

Ik moest daarbij denken aan een verhaal over een kok in een verzorgingshuis die aanvankelijk vooral kritiek kreeg op zijn maaltijden. In plaats van zijn menu nog verder te perfectioneren, begon hij bewoners te vragen wat ze vroeger thuis aten. Welke gerechten ze zich herinnerden. Welke recepten bij hun familie hoorden.

Daarmee veranderde er iets wezenlijks. De bewoners waren niet langer alleen mensen voor wie werd gekookt. Ze werden mensen die iets te vertellen en bij te dragen hadden.

De kok ontdekte bovendien dat hij te gast was in hún huis.

Dat vind ik een prachtige verschuiving.

Je hoeft je deskundigheid niet op te geven om anderen meer ruimte te geven. Sterker nog, die deskundigheid wordt vaak juist waardevoller wanneer je haar verbindt met wat anderen weten, voelen en ervaren.

En dat geldt ook voor de financiële kant van zo'n opgave.

Ik geloof namelijk dat we vaak te snel uitgaan van een vaststaande taart die verdeeld moet worden. Een bepaald budget, een bepaald programma, een bepaalde hoeveelheid ruimte. Vervolgens proberen we daarbinnen alle belangen een plek te geven.

Maar wat als je eerst onderzoekt of je samen de taart groter kunt maken?

Door andere functies toe te voegen. Door nieuwe verbindingen met de buurt te leggen. Door partijen te betrekken die vanuit hun eigen maatschappelijke of economische belangen iets kunnen bijdragen. Door ook te kijken naar de waarde die een plek op langere termijn kan creëren.

Dat vraagt verbeeldingskracht én zakelijkheid. Gevoel voor mensen én inzicht in vastgoed, exploitatie en financiering.

Ik zie daarin geen tegenstelling. Juist de combinatie maakt nieuwe oplossingen mogelijk.

Dat is voor mij de essentie van spacemaking.

De ruimte tussen mensen, organisaties en plekken onderzoeken. Zichtbaar maken wat er al aanwezig is, maar nog niet wordt benut. En vervolgens de voorwaarden creëren waarin iets nieuws kan ontstaan.

Een gebouw kan een gemeenschap niet maken. Maar het kan wel de omstandigheden helpen creëren waarin een gemeenschap zich ontwikkelt, groeit en wordt doorgegeven.

Wat willen we doorgeven?

Ik denk de laatste tijd ook vaker na over wat we eigenlijk aan volgende generaties doorgeven. Niet alleen materiële dingen, kennis of bezit, maar ook onze overtuigingen, onze angsten en de manieren waarop we met elkaar omgaan.

Hoe we reageren wanneer iemand een fout maakt. Of we kwetsbaarheid als zwakte beschouwen of als onderdeel van mens-zijn. Of we onze kinderen leren dat succes betekent dat je nooit valt, of dat je mag ontdekken hoe je weer opstaat. Of we anderen vooral beoordelen op wat ze presteren, of ook zien wie ze zijn en wat ze kunnen bijdragen.

Een groot deel daarvan leren we niet uit boeken. We leren het door te kijken naar hoe de mensen om ons heen leven.

Dat geldt thuis, maar net zo goed in organisaties en gemeenschappen.

Cultuur is uiteindelijk niet alleen wat we met elkaar afspreken. Het is ook wat we elkaar iedere dag zien doen.

En dus is de vraag wat we willen vasthouden onlosmakelijk verbonden met de vraag wat we willen doorgeven.

Welke patronen hebben ons geholpen en verdienen het om te blijven bestaan? Welke overtuigingen zijn ooit ontstaan om ons te beschermen, maar beperken inmiddels onze bewegingsvrijheid? En welke nieuwe manieren van samenleven willen we mogelijk maken?

Ik heb daar geen definitieve antwoorden op. Wel merk ik dat ik anders ben gaan kijken naar mijn eigen rol.

Jarenlang dacht ik dat mijn waarde voor een belangrijk deel lag in wat ik kon oplossen, organiseren, verbinden en voor elkaar krijgen.

Ik kan dat nog steeds. En ik doe het ook nog steeds graag.

Maar ik ontdek dat mijn bijdrage soms juist groter wordt wanneer ik niet onmiddellijk het antwoord probeer te geven. Wanneer ik nieuwsgierig blijf. Wanneer ik iemand uitnodig om zelf na te denken. Wanneer ik mensen bij elkaar breng zonder vooraf te bepalen wat eruit moet komen. Wanneer ik ruimte laat voor een ander tempo, een ander perspectief of een onverwachte uitkomst. En wanneer ik zelf durf te vertrouwen op de mensen die naast me staan.

Ik ben anders gaan kijken naar wat betrokkenheid van me vraagt.

Soms vraagt liefde dat je blijft. Soms dat je iets zegt wat moeilijk is. Soms dat je een grens trekt. Soms dat je iemand helpt. En soms dat je je handen stil houdt, terwijl je hart open blijft.

We kunnen niet namens een ander leven, voelen, kiezen of groeien. Maar we kunnen wel een wereld helpen creëren waarin mensen zich voldoende veilig voelen om zichzelf te zijn. Waarin ze fouten mogen maken, kunnen veranderen en niet alles alleen hoeven te dragen.

Een wereld waarin we elkaar niet voortdurend proberen vast te houden zoals we waren, maar nieuwsgierig blijven naar wie we aan het worden zijn.

Dat is wat ik bedoel met het bouwen van geliefde gemeenschappen.

En wanneer ik opnieuw aan de woorden van mijn vader denk, hoor ik er inmiddels iets anders in dan vroeger.

Accepteer wat je niet kunt veranderen en verander wat je niet kunt accepteren.

Het is een uitnodiging om steeds opnieuw te onderzoeken waar je invloed ligt, waar je verantwoordelijkheid begint en waar ze ophoudt.

Om te ontdekken welke pijn je werkelijk moet dragen, en welke je al veel te lang voor lief neemt. Om te herkennen wanneer je iets waardevols vasthoudt en wanneer je vooral bang bent om je harnas af te leggen.

En om jezelf af en toe een vraag te stellen waarop je het antwoord nog niet kent:

Wat zou er mogelijk worden als ik niet langer uitsluitend kies voor wat vertrouwd voelt, maar ook ruimte maak voor wat ik werkelijk verlang?

Geloof. Hoop. Liefde.

"building beloved communities together"

🤍 It all starts with one conversation 🤍

Vector 1
Sheila Hicks 8

Klaar om de ruimte
op te zoeken?

Blijf in beweging. Wil je regelmatig een dosis zachte scherpte en reflecties in je mailbox ontvangen? Schrijf je in voor mijn Liefdesbrieven en blijf verbonden met de magie in jou.

Vector
Sheila Hicks 4