Als jouw werkelijkheid niet de mijne is

Over liefde, angst en wat relaties moeten kunnen dragen.

Vector 2
IMG 7212

Twee mensen kunnen van elkaar houden en elkaar toch volledig kwijtraken in een gesprek.

De één voelt afstand en zoekt contact. De ander ervaart dat contact als druk en trekt zich terug. Daardoor voelt de eerste de afstand nog sterker en probeert die de verbinding harder te herstellen. Allebei kunnen ze handelen vanuit liefde. Allebei kunnen ze bang zijn. En allebei kunnen ze uiteindelijk naar precies dezelfde situatie kijken en een totaal andere werkelijkheid ervaren.

Jij trok je terug.
Nee, ik probeerde je ruimte te geven.

Jij wilde me controleren.
Nee, ik probeerde de verbinding te herstellen.

Jij wees me af.
Nee, ik stelde een grens.

Wie heeft er gelijk?

Ik ben die vraag steeds minder interessant gaan vinden. Interessanter vind ik wat wij eigenlijk moeten kunnen dragen in een relatie.

Liefde, natuurlijk. Maar liefde is het makkelijke antwoord.

Kunnen we verschil dragen? Een nee? Stilte? Afstand? Een grens? Kunnen we verdragen dat jij je iets anders herinnert dan ik, dat iets wat ik liefdevol bedoelde door jou heel anders is ervaren, of dat jij beweegt op een moment waarop ik liever had gehad dat je bleef staan?

Wat gebeurt er als jouw werkelijkheid niet de mijne is?

Wat gebeurde er eigenlijk?

Neem iets heel eenvoudigs. Ik bel je en jij neemt niet op. Dat is wat er feitelijk gebeurt. Hij wil me niet spreken is al een interpretatie. Ik ben blijkbaar niet belangrijk voor hem is de betekenis die ik eraan geef.

Dat betekent niet dat mijn gevoel niet echt is. Natuurlijk kan iets pijn doen. Alleen bewijst mijn gevoel nog niet dat mijn verklaring voor jouw gedrag ook jouw werkelijkheid is.

We doen dat voortdurend. Je stelt een grens en ik ervaar afwijzing. Je stelt veel vragen en ik denk dat je me niet vertrouwt. Je neemt afstand en ik concludeer dat je niet meer van me houdt. Je wilt helpen en ik ervaar controle.

Andersom geldt hetzelfde. Mijn goede intentie wist jouw ervaring niet uit. Ik kan iets met liefde hebben gedaan en jou er toch mee hebben geraakt.

Daar zit een van de moeilijkste bewegingen in relaties: verantwoordelijkheid nemen voor mijn aandeel en tegelijkertijd mijn eigen werkelijkheid niet uit handen geven. Ik kan erkennen dat mijn handelen iets bij jou heeft veroorzaakt zonder eigenaar te worden van alles wat jij vervolgens voelt of doet.

En ik kan zeggen:

Dit is wat ik heb ervaren. Wat heb jij ervaren?

Daarvoor moet ik mijn werkelijkheid serieus kunnen nemen zonder haar onmiddellijk tot dé werkelijkheid te maken.

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

In mijn vorige artikel schreef ik over creativiteit en de vraag: wat zie ik nog niet? Daar ging het over anders leren kijken naar een vraagstuk. Maar wat als een deel van wat ik nog niet zie míjzelf is?

IMG 2822

Dan komen we na het wakker kussen vanzelf bij een andere scène uit het sprookje Sneeuwwitje: spiegeltje, spiegeltje aan de wand.

Zelfreflectie betekent voor mij niet dat ik bij ieder conflict onmiddellijk moet zoeken naar wat ik fout heb gedaan. Het helpt me om dingen uit elkaar te halen die in het heetst van de strijd razendsnel één werkelijkheid worden. Wat gebeurde er werkelijk? Wat voelde ik? Welke betekenis gaf ik daaraan? Welke intentie schreef ik jou toe? Wat raakte dit in mij dat misschien ouder is dan deze situatie? En welke beweging ontstond vervolgens?

Rutger Bregman schreef een tijd geleden dat we volgens hem leven in een tijd van “too much introspection and too little outrospection”. Een betere wereld begint in zijn betoog bij ons allemaal en bij de instituties die we samen bouwen, niet bij nog meer individuele zelfhulp.

Ik begrijp zijn punt en deel het verlangen erachter. Alleen zie ik naar binnen en naar buiten niet als tegengestelde bewegingen. We hoeven niet minder naar binnen te kijken. We moeten ons opnieuw afvragen waartoe we naar binnen kijken.

Als zelfonderzoek vooral leidt tot nóg meer bezig zijn met mijn gevoelens, mijn patronen en mijn ontwikkeling, zonder dat het verandert hoe ik jou ontmoet, kan introspectie zelfabsorptie worden. Tegelijkertijd neem ik, wanneer ik nooit naar binnen kijk, mijn angst gewoon mee het gesprek in zonder haar als angst te herkennen. Dan neem ik aannames mee naar mijn team en noem ze feiten. Ik projecteer mijn geschiedenis op jou en noem dat intuïtie. Ik verwacht dat jij mijn ongemak oplost en noem dat verbinding.

Naar binnen gaan kan juist helpen om minder met mezelf bezig te zijn wanneer ik weer naar buiten ga.

Je kijkt in de spiegel om daarna weer van de spiegel weg te kunnen kijken.

Naar de ander.

Stabiliteit beweegt

Tijdens een oefening met mijn trainer Cora moest ik stevig staan, terwijl zij tegen mij duwde. Eerst zette ik een stap naar achteren. Daarna moest ik weer naar voren bewegen. Dat laatste bleek moeilijker.

Het zette me aan het denken over wat we stabiliteit noemen. We verwarren stabiliteit gemakkelijk met blijven staan, terwijl werkelijke stabiliteit juist zichtbaar wordt zodra iets beweegt.

Stabiliteit is het vermogen om in beweging je evenwicht te bewaren.

Dat geldt ook voor relaties. Mensen veranderen. Omstandigheden veranderen. We worden verliefd, krijgen kinderen, verliezen ouders, veranderen van werk, worden ziek, herstellen, groeien, raken iets kwijt en vinden iets anders terug. De mens met wie ik vandaag verbonden ben, is over tien jaar niet meer precies dezelfde. En ik ook niet.

Een dragende relatie moet die beweging kunnen verdragen. Naar voren en naar achteren. Naar binnen en naar buiten. Naar elkaar toe en soms van elkaar af.

Daarvoor is ruimte nodig.

De ruimte tussen ons

Die ruimte tussen mensen is iets interessants.

We praten over relaties vaak alsof de verbinding zich ín de twee mensen bevindt. Ik hou van jou. Jij houdt van mij. Wij zijn vrienden, geliefden, familie. Maar een relatie bevindt zich ook tussen ons. Juist daar kunnen dingen ontstaan die van geen van ons beiden afzonderlijk zijn.

Vertrouwen. Spanning. Humor. Veiligheid. Creativiteit. Conflict. Intimiteit.

Liefde.

We spreken in het Engels over making love en in het Nederlands over de liefde bedrijven. Tegenwoordig verstaan we daar vooral seks onder. To make love had historisch een bredere betekenis en werd ook gebruikt voor hofmakerij en romantische toenadering, voordat de seksuele betekenis dominant werd.

Ik ben die woorden de laatste tijd steeds letterlijker gaan lezen.

Wat als twee mensen daadwerkelijk liefde kunnen maken?

Niet alleen door met elkaar te vrijen, maar wanneer ze werkelijk op elkaar afgestemd raken. Wanneer ik aanwezig ben bij jou en jij bij mij. Wanneer we elkaar niet proberen vast te zetten en er voldoende ruimte bestaat om te reageren, te ontvangen, te leiden, te volgen, te naderen en weer iets terug te bewegen.

Dan is liefde niet alleen iets wat ik voor jou voel of jij voor mij.

We maken iets tussen ons wat er zonder onze ontmoeting niet zou zijn geweest.

En om te kunnen stromen heeft dat ruimte nodig.

Zoals een rivier een bedding nodig heeft. De oevers beperken het water en maken tegelijkertijd de stroom mogelijk. Zonder begrenzing loopt alles in elkaar over; wanneer de oevers te dicht op elkaar staan, raakt de stroom bekneld.

Zo ben ik ook anders naar grenzen gaan kijken. Een grens hoeft geen muur te zijn. Ze kan juist helpen om twee mensen afzonderlijke mensen te laten blijven terwijl er iets tussen hen stroomt.

Verbinding zonder vrijheid kan beklemmend worden. Vrijheid zonder verbinding vrijblijvend.

Hoeveel ruimte precies goed is, verandert voortdurend.

Afstemming is niet hetzelfde als overeenstemming

Met een paar van mijn beste vriendinnen heb ik iets wat wij ons lijntje noemen. Ik pak mijn telefoon om te bellen en op dat moment belt zij mij. Ik denk aan iemand en krijg een bericht. Ik zie iets op LinkedIn, denk aan een vriendin en even later verschijnt haar naam op mijn scherm.

Ah, daar is ons lijntje weer.

Je kunt het toeval noemen. Intuïtie. Patroonherkenning. Telepathie, als je daar graag in gelooft. Het interesseert me eigenlijk niet zo hoe het heet. Wat me interesseert, is de ervaring van afstemming.

We zeggen vaak dat mensen “op één lijn zitten” wanneer ze hetzelfde vinden. Ik ervaar dat anders. Afstemming is niet hetzelfde als overeenstemming.

Ik kan het hartgrondig met jou oneens zijn en toch voelen dat we met elkaar in contact blijven. Jij kunt nee zeggen zonder dat ik dat als afwijzing hoef te ervaren. Er kan stilte zijn zonder dat de relatie onmiddellijk onzeker wordt. Jij kunt afstand nodig hebben zonder dat ik daaruit hoef te concluderen dat de verbinding verdwenen is.

Bij yin yoga leerde ik opnieuw kijken naar yin en yang als kwaliteiten die elkaar voortdurend afwisselen: naar binnen en naar buiten, ontvangen en handelen, volgen en leiden. Dat beeld helpt me ook bij relaties. De ruimte tussen mensen is nooit statisch.

De vraag is dus niet hoe we dezelfde positie kunnen vasthouden.

Kunnen wij blijven afstemmen terwijl de ruimte tussen ons verandert?

Vrijheid in verbinding

Soms vraagt die afstemming om woorden.

Ik had onlangs zo’n gesprek met iemand die me dierbaar is. Diegene vertelde dat het niet goed ging en dat er op dat moment nauwelijks ruimte was voor iets of iemand buiten wat er al speelde. Mijn eerste reactie was: wat heb je nodig?

Het antwoord was even eenvoudig als duidelijk: niets van jou.

Juist daardoor kwamen er allerlei vragen in mij op. Wat betekent ‘niets’ precies? Wil je dat ik niet bel of app? Moet ik je helemaal met rust laten? Hoe ziet de ruimte tussen ons er dan uit?

Omdat deze relatie me dierbaar is, wilde ik die antwoorden niet zelf invullen. Dus vroeg ik door.

Ik bleek niet te hoeven verdwijnen. Ik mag gewoon contact zoeken wanneer ik daar behoefte aan heb. De ander kan vervolgens zelf voelen of er ruimte is om op te nemen of terug te bellen en daar verantwoordelijkheid voor nemen.

Ik vind dat een liefdevol antwoord. We hoeven geen van beiden op onze tenen te lopen. Ik hoef niet voortdurend te raden hoeveel ruimte ik moet geven en de ander hoeft niet beschikbaar te zijn om mij gerust te stellen.

We weten allebei iets beter waar we staan, zonder elkaar daar vast te zetten.

De situatie is daarmee niet opgelost en mijn zorgen en vragen zijn niet verdwenen. Er is wel iets anders ontstaan: helderheid.

Niet over wat er precies speelt, wel over de ruimte tussen ons.

En die ruimte mag er zijn.

Vrijheid in verbinding betekent voor mij steeds meer dat jij mag bewegen en ik mag bewegen, terwijl we proberen voldoende afgestemd te blijven om te merken wanneer de ruimte tussen ons groter of kleiner moet worden.

Dat klinkt mooi. In werkelijkheid kan het behoorlijk ongemakkelijk zijn, want liefde vraagt niet altijd om dezelfde beweging. Soms vraagt ze dat je iets doet. En soms vraagt ze dat je precies níét doet wat alles in jou op dat moment zou willen doen.

Wat angst probeert te beschermen

Angst wil onzekerheid verkleinen.

Als jij afstand neemt en ik niet weet waarom, wil mijn hoofd daar een antwoord op. Als jij niet reageert, wil ik weten wat dat betekent. Als jij onze geschiedenis anders beleeft dan ik, wil ik weten welke versie waar is. Wanneer ik bang ben je kwijt te raken, kan alles in mij willen bewegen: dichterbij komen, vasthouden, uitleggen, overtuigen, repareren.

Niet-weten is soms ontzettend moeilijk te verdragen.

Juist daar verschijnen onze patronen. De één zoekt contact, de ander trekt zich terug. De eerste voelt de afstand groter worden en doet nog meer zijn best, waardoor de tweede meer druk ervaart en nog verder teruggaat. Iemand zegt ja terwijl er vanbinnen een nee klinkt, omdat de teleurstelling van de ander moeilijker voelt dan het verlaten van de eigen grens. We blijven uitleggen, sturen nog één bericht of willen nog één gesprek omdat we verlangen dat de ander eindelijk begrijpt wat we bedoelden.

Liefde kan dan ongemerkt vermengd raken met onze behoefte om de ruimte tussen ons te reguleren. Ik wil dat jij dichterbij komt, zodat mijn angst afneemt. Ik wil dat jij antwoordt, zodat ik niet hoef te twijfelen. Ik wil dat jij mij begrijpt, zodat mijn beeld van mezelf intact blijft. Ik wil dat jij je beter voelt, omdat jouw verdriet voor mij moeilijk te verdragen is.

De liefde hoeft daardoor niet minder echt te zijn. Er zit alleen óók angst in de beweging.

Daarom vind ik kies liefde in plaats van angst inmiddels te eenvoudig. Angst is niet mijn vijand. Ze kan me vertellen dat er iets op het spel staat wat belangrijk voor me is.

De vraag is:

Kan ik mijn angst voelen zonder haar automatisch mijn volgende beweging te laten bepalen?

En daaronder ligt nog een vraag:

Wat probeert mijn angst hier eigenlijk te beschermen?

Mijn autonomie? Mijn plek? Mijn behoefte om gezien te worden? De verbinding? Mijn zelfbeeld? De zekerheid dat jij morgen nog bij me bent?

Daar zit het trainingsmoment. Niet wanneer ik achteraf precies kan uitleggen welk patroon zich heeft afgespeeld, maar op dat kleine omslagpunt waarop ik wil handelen en mezelf nog één seconde kan vragen: is dit werkelijk wat er nu nodig is?

Soms is het antwoord ja. Dan bel je, ga je, zeg je dat je van iemand houdt, stel je een vraag of herstel je iets wat je beschadigd hebt.

En soms blijf je zitten. Je laat de stilte bestaan, verdraagt dat je het antwoord nog niet kent en laat de ander zijn eigen proces doorleven.

Niet iedere emotie die in mij ontstaat, hoeft een handeling tussen ons te worden.

Op mijn handen zitten

Dat inzicht oefen ik de laatste tijd nogal letterlijk. Ik noem het op mijn handen zitten.

Juist wanneer iemand van wie ik houd het moeilijk heeft, wil iets in mij bewegen. Verzorgen. Vasthouden. Luisteren. Erheen gaan. Iets doen waardoor het een beetje minder zwaar wordt.

Maar liefde geeft mij geen onbeperkte toegang tot de ruimte van een ander.

Soms vraagt liefde daarom dat ik mijn zorgen voel zonder dat de ander ze hoeft weg te nemen. Dat ik mijn verlangen draag zonder dat iemand er iets mee moet. Dat ik beschikbaar blijf zonder mezelf op te dringen.

Mijn liefde laten stromen zonder haar te laten overstromen.

Ik heb daar de afgelopen tijd een plek voor gemaakt. Iedere ochtend schrijf ik, direct nadat ik wakker word, drie pagina’s met de hand. Steeds vaker ontstaat daarin een soort correspondentie met iemand die me dierbaar is.

Wie of wat dat precies is, weet ik niet. Mijn onderbewuste, intuïtie, verbeelding, iets spiritueels...ik heb weinig behoefte om het vast te zetten in één verklaring. Ik weet wel wat het doet.

Daar mag alles wat ik niet bij de ander hoef neer te leggen toch bestaan: liefde, zorgen, verlangen, dankbaarheid en soms een antwoord dat ik zelf nodig had. Het is een derde ruimte geworden. Een plek die niet bij de ander ligt en ook niet van de ander weg beweegt, maar waarin mijn ervaring kan bestaan zonder dat iemand anders haar hoeft te dragen.

Daarna kan ik weer opstaan en mijn eigen leven in. Werken. Schrijven. Moeder zijn. Een vriendin bellen. Lachen. Boodschappen doen. Een bedrijf bouwen. Leuke dingen doen en plezier hebben. Genieten van alles wat er óók is.

Liefde en toegang zijn niet hetzelfde.

Ik kan van iemand houden zonder op ieder moment toegang tot diens binnenwereld te hebben. Ik kan iemand missen zonder dat diegene mijn gemis hoeft op te lossen. Ik kan verbonden blijven, terwijl er tijdelijk meer ruimte tussen ons bestaat.

Dat is ook een manier om liefde te bedrijven.

Wanneer begrijpen niet meer genoeg is

Ruimte geven heeft ook een grens.

Ik heb ervaren hoe lang je kunt blijven onderzoeken, omdat je hoopt dat ergens in al dat begrijpen alsnog een manier ontstaat waarop het tussen twee mensen kan werken. Wat zie ik niet? Wat is mijn aandeel? Had ik dit anders kunnen zeggen? Moet ik duidelijker zijn, zachter, minder reageren, beter luisteren? Moet ik nog één keer uitleggen wat ik bedoel?

Zelfreflectie kan bevrijdend zijn. Ze kan ook een manier worden om een keuze uit te stellen.

Onderzoeken kan op een gegeven moment een manier worden om niet te hoeven kiezen.

Ik heb dat ervaren in een relatie waarin privé en werk door elkaar liepen. Ik bleef lang proberen de ander te begrijpen, helder te communiceren en mijn grenzen aan te geven. Iedere keer dacht ik dat we elkaar misschien konden vinden, als ik het nog één keer beter uitlegde.

Tot ik moest erkennen dat het probleem niet meer zat in de helderheid van mijn grens.

Mijn grens werd onvoldoende door de ander gerespecteerd.

Daarmee veranderde de vraag. Ik hoefde niet langer uit te zoeken hoe we elkaar beter konden begrijpen, maar wat ik zelf nog wilde doen met wat er gebeurde.

Wil ik hier nog aan deelnemen?

Een grens vertelt uiteindelijk iets over mijn eigen deelname. Ik kan zeggen wat iets met mij doet, aangeven wat ik nodig heb en vragen of iemand ergens mee wil stoppen. Wat de ander daarmee doet, ligt buiten mijn macht.

Soms betekent begrenzen daarom minder contact. Soms eindigt een samenwerking. Soms is fysieke afstand nodig, omdat de ruimte die tussen twee mensen is ontstaan geen ruimte meer is waarin je vrij kunt bewegen.

Ook dat hoort bij vrijheid in verbinding. Soms verandert de vorm van de verbinding fundamenteel of houdt zij op.

Liefde heeft geen vaste beweging

Het interessante is dat je aan de beweging zelf vaak niet kunt zien wat haar aandrijft.

Naar iemand toegaan kan liefdevol zijn en ook voortkomen uit angst iemand kwijt te raken. Afstand nemen kan vermijding zijn of juist zorgvuldig en liefdevol. Stilte kan een vlucht zijn of respect. Een gesprek kan moed vragen en tegelijk gebruikt worden om de ander alsnog te overtuigen. Een grens kan als muur worden opgetrokken en ook als oever worden neergezet.

Je kunt aan de beweging alleen niet zien wat haar aandrijft.

Daarom blijft de spiegel nodig. Niet om mijn motieven eindeloos te ontleden, maar om mezelf eerlijk te kunnen vragen:

Wat beweegt mij hier eigenlijk?

En daarna:

Welke beweging wil ik kiezen, nu ik dit zie?

Daar ligt het verschil tussen automatisch reageren en relationeel handelen. Niet in het verdwijnen van angst of het altijd maken van de juiste keuze, maar in het ontstaan van iets meer ruimte tussen wat ik voel en wat ik vervolgens tussen ons doe.

Wanneer inzicht moet gaan leven

Ik kan dit allemaal uitstekend begrijpen terwijl ik rustig achter mijn laptop zit. Vervolgens kan één zin van iemand die belangrijk voor me is genoeg zijn om al die wijsheid binnen drie seconden het raam uit te gooien.

Dat fascineert me, omdat inzicht nog geen verandering is.

Pas wanneer het spannend wordt, ontdek ik wat werkelijk beschikbaar is geworden. Kan ik ook dan mijn lichaam voelen voordat ik reageer? Mijn interpretatie nog even parkeren? Een vraag stellen? Een nee verdragen? Mijn grens vasthouden wanneer iemand teleurgesteld raakt? Iemand ruimte geven, terwijl mijn angst liever dichterbij zou komen?

Dat is wat belichaming voor mij betekent. Wat ik cognitief heb geleerd wordt langzaam beschikbaar op het moment dat mijn systeem onder spanning staat.

Relationeel vermogen is daarom iets wat we oefenen. In het moment waarop ik eigenlijk wil duwen en eerst kijk. Waarop ik wil verdwijnen en toch iets zeg. Waarop ik wil redden en mezelf tegenhoud. Waarop ik wil pleasen en een eerlijk nee geef. Waarop ik zeker denk te weten wat jij bedoelt en toch vraag of mijn interpretatie klopt.

Dat zal regelmatig misgaan. We zullen elkaar verkeerd begrijpen, te dichtbij komen, te ver weg bewegen, iets uit angst doen, een grens missen of iets zeggen wat we later anders hadden willen zeggen.

Daarom moeten relaties nog iets kunnen dragen:

herstel.

Terugvinden wat verloren is gegaan

Ook over herstel heb ik lang vrij eenvoudig gedacht. Er gebeurt iets tussen twee mensen, er ontstaat een breuk en vervolgens probeer je samen te herstellen wat beschadigd is.

Maar wat moet er eigenlijk worden hersteld?

Esther Perel schrijft deze zomer over betrayal in een veel bredere betekenis dan alleen overspel. Ze beschrijft verraad als een schending van vertrouwen of een uitgesproken of onuitgesproken afspraak, en trekt de vraag door naar financiële geheimen, families en self-betrayal. Ze vraagt wat er gebeurt wanneer iets waarop we vertrouwden ineens niet meer blijkt te dragen.

Dat laatste bleef bij me hangen.

Hoe vaak ben ik zelf over mijn grens gegaan om de verbinding met iemand anders te behouden? Hoe vaak heb ik ja gezegd terwijl ik nee voelde? Hoe vaak heb ik geprobeerd iemand anders te begrijpen, terwijl ik eigenlijk allang wist wat iets met míj deed? Hoe vaak heb ik mijn eigen waarneming ter discussie gesteld, omdat de werkelijkheid van de ander met meer overtuiging werd gebracht dan die van mij?

En hoe vaak heb ik mezelf verlaten met de beste bedoelingen? Om de vrede te bewaren, uit loyaliteit, uit liefde of omdat ik iemand niet wilde teleurstellen?

Self-betrayal kan er verrassend liefdevol uitzien.

Precies daarom kan het zo moeilijk zijn om te herkennen.

Wanneer ik jou voldoende ruimte wil geven om te bewegen, moet er in diezelfde relatie ook ruimte voor mij overblijven. Als jouw vrijheid alleen kan bestaan doordat ik steeds kleiner word, raak ik uiteindelijk uit mijn eigen bedding.

Herstel begint daarom soms bij een andere vraag dan hoe we elkaar terugvinden:

Waar ben ik mezelf onderweg kwijtgeraakt?

Daarmee zoek ik geen schuldige. Ik probeer mijn eigen waarneming weer serieus te nemen. Wat voelde ik eigenlijk al? Wat wist ik voordat ik het kon uitleggen? Waar zei mijn mond ja, terwijl iets anders in mij nee zei? Waar bleef ik deelnemen, terwijl ik ergens al wist dat iets niet meer klopte?

Herstel betekent dan dat ik opnieuw leer vertrouwen op mijn vermogen om waar te nemen, te onderscheiden en te kiezen.

En soms vinden twee mensen elkaar vervolgens opnieuw.

Dat betekent niet dat de relatie teruggaat naar hoe zij voor de breuk was. Een breuk kan immers ook het beeld van het verleden veranderen. Perel beschrijft hoe verraad mensen niet alleen aan de toekomst laat twijfelen, maar ook aan wat ze dachten te weten over de relatie en de ander.

Vanaf daar kan een andere relatie ontstaan, met andere grenzen, meer waarheid, meer ruimte of afspraken die vroeger nooit uitgesproken hoefden te worden. En soms bestaat herstel uit erkennen dat twee mensen elkaar niet opnieuw gaan vinden.

Ook dan kan iets herstellen, omdat je jezelf niet langer hoeft te verlaten om een bepaalde vorm van verbinding overeind te houden.

Terugkeren

Hoe goed we elkaar ook kennen en hoe verbonden we ons ook voelen, er zullen momenten zijn waarop we niet meer goed op elkaar afgestemd zijn. Ik lees jouw beweging verkeerd, kom te dichtbij wanneer jij ruimte nodig hebt, neem afstand wanneer jij juist toenadering zoekt of reageer vanuit mijn eigen angst op iets wat jij heel anders bedoelde.

Dat hoort bij relaties.

Relationeel vermogen betekent daarom ook dat we kunnen terugkeren. Naar onszelf, naar de ander als dat nog kan en klopt, naar het gesprek, naar een grens en naar de ruimte tussen ons.

Veerkracht betekent dan dat een verstoring niet automatisch het einde van de verbinding hoeft te zijn. We kunnen opnieuw kijken naar wat er nu werkelijk aanwezig is en van daaruit de vraag stellen:

Kunnen we vanaf hier weer op elkaar afstemmen?

Niet terug naar waar we stonden.

Vanaf hier.

Wanneer een wij uit elkaar valt

Ik moest daaraan denken toen ik onlangs naar Chimp Empire keek, over de chimpansees van Ngogo in Oeganda.

De gemeenschap die daar jarenlang werd gevolgd, was uitzonderlijk groot en lange tijd samenhangend. Individuele chimpansees bewogen tussen kleinere subgroepen en onderhielden relaties door de grotere gemeenschap heen. Vanaf 2015 zagen onderzoekers duidelijke polarisatie tussen twee clusters. Dat viel samen met veranderingen in de mannelijke dominantiehiërarchie en kwam een jaar na de dood van verschillende volwassen mannetjes die volgens de onderzoekers mogelijk als sociale bruggen tussen delen van de gemeenschap hadden gefunctioneerd. In 2018 was de splitsing definitief. Daarna volgden dodelijke aanvallen tussen dieren die eerder deel hadden uitgemaakt van dezelfde gemeenschap.

Onderzoeker Aaron Sandel benoemt precies het deel dat me raakte: nieuwe groepsidentiteiten gingen oude samenwerkingsrelaties overheersen.

Ik zie chimpansees niet als eenvoudige blauwdruk voor mensen. Wat er gebeurde zette bij mij wel een andere associatie aan.

Ik moest aan families denken.

Zolang opa en oma er zijn, bestaat er vaak iets wat we eenvoudigweg de familie noemen. Kerst is bij hen. Zij bellen. Nodigen iedereen uit. Houden verhalen levend. Sussen soms een conflict of zeggen: ach jongens, laat nou maar. Broers en zussen die onderling weinig contact hebben, ontmoeten elkaar toch aan dezelfde tafel.

En dan vallen opa en oma weg.

De familie verdwijnt natuurlijk niet. De volgende generatie heeft inmiddels eigen gezinnen gevormd en er ontstaan nieuwe zwaartepunten, tafels, tradities en loyaliteiten. Dat is een natuurlijke beweging van een systeem dat van vorm verandert.

Tegelijkertijd kan zichtbaar worden hoeveel die ene generatie ongemerkt bij elkaar hield. De verschillen waren er waarschijnlijk al, alleen lagen er mensen, rituelen en relaties als bruggen overheen.

Het oude wij verandert dan in verschillende nieuwe wij’s.

Dat hoeft geen probleem te zijn.

Spannend wordt het wanneer een nieuw wij een zij nodig krijgt.

Het doet me denken aan de metafoor van De Fontein van Els van Steijn. Zij beschrijft het familiesysteem als generaties die ieder hun eigen plek innemen in opeenvolgende bakken van een fontein. In haar systemische benadering gaat het onder meer over het innemen van je eigen plek en het laten waar verantwoordelijkheid thuishoort.

Mijn observatie over wat er kan gebeuren wanneer opa en oma wegvallen, is niet haar theorie. Haar fontein helpt me wel zien dat een familie meer is dan een verzameling individuele relaties. Er bestaat ook een systeem, en wanneer daarin een belangrijk element verandert, moeten andere delen opnieuw hun positie vinden.

Dan wordt de relationele vraag groter. Wat gebeurt er wanneer mensen, rituelen of structuren die ons vanzelfsprekend bij elkaar hielden verdwijnen? Kunnen we zelf de relaties onderhouden die het grotere geheel droegen? Of verandert iemand met wie ik verschil langzaam van iemand die bij ons hoort in iemand van hen?

Dat is wat mij in Ngogo zo aangreep. De splitsing zelf is niet het meest interessante. Groepen kunnen veranderen en zich opnieuw vormen.

Het indringende zit in het moment waarop voormalige groepsgenoten de andere groep worden.

Gemeenschap begint klein

We denken bij gemeenschap gemakkelijk aan buurten, organisaties, verenigingen of de samenleving. Maar al die grote verbanden bestaan uit ontelbaar veel kleine relationele bewegingen.

Wie bel ik wanneer iets schuurt? Met wie blijf ik praten wanneer we het oneens zijn? Wie schrijf ik af? Kan ik nieuwsgierig blijven naar iemand die iets ziet wat ik werkelijk niet begrijp? Kan ik een grens van een ander verdragen zonder diegene onmiddellijk buiten mijn wij te plaatsen? En kan ik mijn eigen grens bewaken zonder de ander daarvoor eerst tot slecht mens te hoeven maken?

Wat wij in onze kleinste relaties oefenen, bepaalt mede wat wij in onze grootste gemeenschappen kunnen dragen.

Een samenleving leert verschil niet verdragen in een beleidsnota. We oefenen dat dagelijks thuis, in vriendschappen, op het werk, in een team, een vereniging en online. In hoe we reageren wanneer iemand nee zegt. In wat we doen wanneer iemand onze werkelijkheid niet deelt. In ons vermogen om na een breuk terug te keren. En soms juist in ons vermogen om zorgvuldig uit elkaar te gaan zonder de ander tot vijand te maken.

Daarmee kom ik terug bij de vraag waarmee ik begon.

Wat moeten relaties kunnen dragen?

Liefde, maar ook verschil. Spanning. Stilte. Een nee. Een grens. Verandering. Momenten waarop we elkaar kwijtraken. Herstel. De mogelijkheid dat jij naar dezelfde werkelijkheid kijkt en iets anders ziet dan ik.

Daarvoor hebben we het vermogen nodig om waar te nemen voordat we invullen, te onderscheiden wat van mij is, wat van jou is en wat er tussen ons ontstaat. Om spanning te verdragen zonder onmiddellijk terug te vallen in oude patronen. Om grenzen te stellen en te ontvangen. Om te kunnen bewegen zonder elkaar voortdurend vast te zetten, en opnieuw contact te zoeken wanneer de afstemming verloren is gegaan.

Dat noem ik relationeel vermogen.

Het raakt aan communicatie, maar gaat veel verder dan gesprekstechniek. Het gaat over ons vermogen om vrij te blijven bewegen in verbinding met een ander.

Wanneer relaties de dragers van gemeenschappen zijn, verandert ook de schaal van die gedachte. Relationeel vermogen bepaalt mede wat een team kan dragen wanneer belangen botsen, wat een organisatie kan verdragen wanneer zij verandert, of een familie opnieuw vorm kan vinden wanneer een generatie wegvalt, en of een samenleving mensen met fundamenteel andere werkelijkheden nog als mensen kan blijven ontmoeten.

Gemeenschap is kritieke infrastructuur. Relaties zijn de dragers ervan. Relationeel vermogen bepaalt mede hoeveel beweging die infrastructuur kan verdragen zonder te breken.

Op één lijn

En toch wil ik niet eindigen bij infrastructuur.

Ik moet weer denken aan dat lijntje met mijn vriendinnen.

Ah, daar is ons lijntje weer.

Dat beeld vind ik mooi omdat een lijn ruimte veronderstelt. Als wij volledig samenvallen, is er geen lijn meer tussen ons. Er moet een hier zijn en een daar.

Jij en ik.

Twee werkelijkheden. Twee mensen die bewegen. Soms dichter naar elkaar toe en soms verder van elkaar af. Soms leid jij en volg ik; een andere keer gebeurt het andersom. Soms raken we elkaar even kwijt en vinden we elkaar terug.

We kunnen het zelfs hartgrondig oneens zijn zonder dat het lijntje hoeft te verdwijnen.

We hebben op één lijn zitten lang verbonden aan hetzelfde vinden.

Voor mij betekent het inmiddels iets anders.

We hoeven niet hetzelfde te zien om op elkaar afgestemd te kunnen zijn.

We hoeven ook niet altijd dezelfde afstand tot elkaar te houden. Er moet voldoende ruimte zijn om te bewegen en voldoende verbinding om elkaar daarin te kunnen blijven vinden.

Zoals een rivier haar oevers nodig heeft om te kunnen stromen.

In die ruimte ontstaat vrijheid in verbinding.

En daar krijgt making love voor mij opnieuw betekenis.

In the space between us we make love.

Daar, tussen jou en mij, kan iets ontstaan wat geen van ons alleen kan maken.

Liefde.

❤️

Vector 1
Sheila Hicks 8

Klaar om de ruimte
op te zoeken?

Blijf in beweging. Wil je regelmatig een dosis zachte scherpte en reflecties in je mailbox ontvangen? Schrijf je in voor mijn Liefdesbrieven en blijf verbonden met de magie in jou.

Vector
Sheila Hicks 4